CT:
Contacttijd tussen het desinfectiemiddel
en het micro-organisme en de concentratie desinfectiemiddel
Om te weten hoeveel desinfectiemiddel nodig is om water te
desinfecteren, kijkt men naar de CT van het desinfectiemiddel. De
C staat voor de uiteindelijke residuale concentratie
desinfectiemiddel in g/L die nodig is om het water te
desinfecteren. De T staat voor de minimale contacttijd (in
minuten) tussen het materiaal dat gedesinfecteerd wordt en het
desinfectiemiddel. De CT wordt daarom uitgedrukt in mg-min/L.
|
CT = Concentratie x contacttijd = C mg/L x T minuten
Wanneer desinfectiemiddel aan water wordt toegevoegd, reageert het niet
alleen met de ziekteverwekkende
micro-organismen die zich in het water bevinden, maar ook met ander
materiaal in het water, zoals oplosbare
metalen, deeltjes natuurlijk organisch materiaal, andere
micro-organismen en dergelijke. Het gebruik van het desinfectiemiddel voor
reacties met deze stoffen vormt de desinfectievraag van het water. Hier
moet eerst aan voldaan zijn voordat een residuale concentratie
desinfectiemiddel kan ontstaan. De concentratie desinfectiemiddel die aan
het water moet worden toegevoegd, is de som van de desinfectievraag van
het water en de residuale concentratie desinfectiemiddel. Als er een
residuale concentratie desinfectiemiddel is ontstaan, moet dit gedurende
de vereiste contacttijd met het water in contact blijven om de
ziekteverwekkende micro-organismen te doden.
Er kan bijvoorbeeld een dosis van 12-20 mg/L
chloor aan water worden toegevoegd, om een residuale concentratie van 6-8 mg/L vrij chloor te verkrijgen. Er is een verband tussen de benodigde contacttijd en de gebruikte concentratie. De tijd die nodig is om een bepaald micro-organisme te doden of te inactiveren neemt af als de gebruikte concentratie (mg/L) van het desinfectiemiddel wordt verhoogd. Welke concentratie bij een bepaalde contacttijd het effectiefst is, wordt bepaald aan de hand van laboratoriumproeven.
De CT wordt vaak ook gebruikt om de effectiviteit van een desinfectiemiddel tegen een bepaald micro-organisme onder vastgestelde omstandigheden, zoals temperatuur, pH en dergelijke uit te drukken. De relatieve effectiviteit van verscheidene desinfectiemiddelen verschilt per micro-organisme. Vaak staat er een waarde genoemd na de CT, bijvoorbeeld CT 99%. Dit betekent dat 99% van het micro-organisme door het desinfectiemiddel is uitgeschakeld. De CT wordt gebruikt om de effectiviteit van verschillende desinfectiemiddelen met elkaar te vergelijken
(tabel 1).
Uit deze tabel blijkt dat ozon het meest effectief is tegen deze micro-organismen, de CT waarde van ozon is het laagste.
Chlooramines zijn het minst effectief en kunnen niet ingezt worden tegen Giardia lambia. Chloor is effectief tegen E. coli en Polio. Voor Giardia lambia is de CT waarde van chloor veel hoger dan voor E. Coli en poliovirus.
Tabel 1. Vergelijking tussen CT waardes voor 99 % inactivatie van
micro-organismen bij 5 °C.
| organisme |
vrij chloor pH 6-7 |
chlooramine pH 8-9 |
chloordioxide pH 6-7 |
ozon pH 6-7 |
| E. coli bacterie |
0,034 - 0,05 |
95 - 180 |
0,4 - 0,75 |
0,02 |
| Polio virus |
1,1 - 2,5 |
770 - 3740 |
0,2 - 6,7 |
0,1 - 0,2 |
| Giardia lambia cyste |
47 - 150 |
- |
- |
0,5 - 0,6 |
Het soort micro-organisme
Desinfectiemiddelen zijn zeer effectief in het doden van ziekteverwekkende
micro-organismen (bacteriën en virussen). Sommige zijn enigszins resistent.
E. coli bacterie bijvoorbeeld is resistenter dan andere bacteriën en wordt gebruikt als indicatororganisme. Er zijn echter een aantal ziekteverwekkende virussen die resistenter zijn dan E. coli, daarom moet men niet alleen naar de aanwezigheid van E. coli kijken. Protozoë oocysten, zoals Cryptosporidium en Giardia zijn zeer resistent tegen desinfectiemiddelen als chloor.
De leeftijd van het micro-organisme
De effectiviteit van het desinfectiemiddel is ook afhankelijk van de leeftijd van het micro-organisme. Jonge bacteriën zijn bijvoorbeeld makkelijker te bestrijden dan oudere bacteriën. Wanneer bacteriën ouder worden, groeit er een polysaccharide schild om de celwand, waardoor bacteriën resistent zijn tegen desinfectiemiddelen. Wanneer men bijvoorbeeld 2,0 mg/L chloor gebruikt, is er een contacttijd van dertig minuten nodig om bacteriën met een leeftijd van tien dagen te inactiveren. Voor bacteriën van dezelfde soort die één dag oud zijn is één minuut contacttijd voldoende. Bacteriesporen kunnen heel resistent zijn, waardoor de meeste desinfectiemiddelen die gebruikt worden geen effect hebben.
De aard van het te behandelen water
Ook de aard van het te behandelen water is van invloed op de desinfectie. Stoffen in het water, zoals
ijzer (Fe), mangaan
(Mn), waterstofsulfide (H2S) en nitraten reageren vaak met het gebruikte desinfectiemiddel, alvorens het desinfecteert. Ook de troebelheid van het water reduceert de effectiviteit van desinfectie, omdat micro-organismen door de troebelende stoffen beschermt worden tegen
desinfectie.
De temperatuur
De temperatuur is ook van invloed op de effectiviteit van de desinfectie. Doorgaans leidt een verhoging van de temperatuur tot een versnelling van reacties en een versnelling van de desinfectie. Een verhoging van de temperatuur kan de reactie ook tegenwerken, doordat het desinfectiemiddel uit elkaar valt of
vervluchtigt.
|