Anthony Downs heeft in 1972 het zogenoemde ‘Issue-Attention Cycle’ model (IAC) ontwikkeld (fig. 1). In dat model is de publieke aandacht voor een milieuprobleem verdeeld in vijf fases: een beginfase, een ontdekkingsfase, een fase van bekostiging van oplossingen, een fase van afname van publieke aandacht en een eindfase.
Beginfase – een ongewenst milieuprobleem bestaat, maar het is nog niet onder publieke aandacht gekomen. Experts en organisaties houden zich ermee bezig.
Ontdekkingsfase – het milieuprobleem verschijnt in de media en de publieke aandacht wordt gewekt. Door alarmering begint het publiek druk op de regering te zetten om het problem op te lossen.
Fase van bekostiging van oplossingen – het publiek wordt zich ervan bewust dat oplossingen duur zijn en dat zij wellicht een bijdrage moeten leveren. Er wordt veel aandacht aan het probleem geschonken. Er worden stappen ondernomen om het milieuprobleem (gedeeltelijk) te verhelpen (bijvoorbeeld wetgeving).
Fase van afname publieke aandacht – door verslapping van de media aandacht gaat na enige tijd de publieke aandacht voor het milieuprobleem afnemen.
Eindfase – het vinden van de oplossingen voor een milieuprobleem leidt tot een zekere mate van institutionalisering (zoals de aanwezigheid van nieuwe milieuwetgeving of organisaties). Figuur 1: de Issue-Attention Cycle
Het IAC model heeft geleid tot de beschrijving van de ontwikkeling van de milieubeweging met behulp van drie milieugolven in de 20e eeuw:
De eerste milieugolf duurde van 1900 tot 1910. De meest invloedrijke personen in die tijd waren de oprichters van de Amerikaanse Sierra Club en Jar P. Thijsse, de oprichter van het Nederlandse Natuurmonumenten. Tijdens de milieugolf wilde men een hoge mate van milieubescherming berijken. De eerste milieugolf leidde niet tot a-politieke bewegingen, die tegen industrialisme of kapitalisme waren. Dat werd meer zichtbaar in de tweede milieugolf.
De tweede milieugolf van eind jaren ‘60 tot ongeveer 1973 was het resultaat van het boek ‘Silent Spring’ van Rachel Carson, dat in 1962 werd uitgegeven. In haar boek haalt Carson onder meer de schadelijkheid van pesticiden aan. Gevolg was een wijdverbreidde kritiek op de industrie en het kapitalisme. De tweede milieugolf betrof dan ook met name geďndustrialiseerde landen. In de middenklasse ontstonden omstreeks 1972 kleine milieu-organisaties, de zogenoemde NGO’s (Non-Governmental Organizations). Voorbeelden zijn De Kleine Aarde, Vereniging Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu. Theorieën als ‘Limits to Growth’ van de Club van Rome en ‘Small is Beautiful’ van Schumacher leidden tot uitgebreide milieudiscussies. Regeringen begonnen de eerste milieuwetten op te stellen, bijvoorbeeld de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WvO) in Nederland en de Clean Air Act in Engeland en Amerika. In 1972 begon in Stockholm de eerste internationale milieu-conferentie. De tweede milieugolf nam af toen in 1973 de oliecrisis uitbrak. Er bleef weinig geld meer over om aan milieudoeleinden te besteden.
De derde milieugolf startte in 1987 na de uitgave van het Brundtland rapport, getiteld ‘Our Common Future’, dat de Noorse premier Gro Harlem Brundtland in opdracht van de Verenigde Naties had geschreven. Het rapport omschreef duurzaamheid en duurzame ontwikkeling. Milieu en economie zouden zich gezamenlijk moeten ontwikkelen, zodat de druk van de economie op het milieu verlaagd werd. In tegenstelling tot de tweede milieugolf werden nu ook ontwikkelingslanden in de zorg voor het milieu betrokken. Er werd internationaal beleid geformuleerd. In 1992 werd de UN-CED (United Nations Conference on Environment and Development) conferentie gehouden, waarbij Agenda 21 werd opgesteld. Verder werd de UN-FCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change) gehouden en begon men na te denken over klimaatverandering. Ook biodiversiteit kwam op de internationale agenda. De derde milieugolf duurde tot 1993, toen de aandacht voor het milieu weer begon af te nemen.
De milieugolven werden steeds korter. De mogelijke oorzaak hiervoor is de toenemende dynamiek van de media. Doordat media als televisie en radio werden geďntroduceerd konden mensen steeds sneller worden geďnformeerd over de milieuproblematiek. De media-aandacht voor bepaalde onderwerpen werd daardoor ook steeds korter. Op deze website kan je ook informatie vinden over milieurampen |