Het is geen verassing dat de kwaliteit van het water aangetast wordt door
een toenemende industrie en groei van de bevolking. Ook de landbouw is
niet bepaald een verbeteraar van de waterkwaliteit. In Europa zijn al
geruime tijd geleden verschillende richtlijnen in werking getreden om de
waterproblematiek in kaart te brengen. Dit rechtspluralisme werkte
logischerwijs weinig efficiënt. Nu is men in de gehele Europese Unie
begonnen met een nieuw systeem. De Europese Kaderrichtlijn Water richt
zich erop dat de gehele Europese Unie de kwaliteit van alle Europese
wateren tracht te verbeteren en te beheersen. Op elk niveau (Europees,
nationaal, regionaal en lokaal) zijn instanties actief die
samenwerken en meewerken aan de Kaderrichtlijn.
Beïnvloeding van het mondiale watersysteem
Het is een mondiaal probleem wanneer de vraag van water steeds meer
stijgt, terwijl de beschikbaarheid van schoon drinkwater steeds meer
achteruit gaat. Grondwater is altijd essentieel geweest om te voorzien
in de (water)behoefte van de mens. In veel gebieden wordt drinkwater
gewonnen uit grondwater.
Het grondwaterverbruik wordt overheerst door drie problemen:
- Uitputting door overmatig oppompen
- Waterverzadiging en verzilting door onvoldoende afwatering
- Vervuiling door intensieve landbouw, industrie en andere menselijke
activiteiten
Het is van essentieel belang hoe mensen omgaan met hun
grondwatervoorraden, vooral in de landen met de meeste inwoners (China,
India en Pakistan) en de landen in het Midden Oosten en Noord Afrika.
Wanneer er nu niet veel veranderd zal vooral de arme bevolking in deze
gebieden het zwaar getroffen worden door de waterschaarste. Het
grondwaterpeil daalt soms wel tot enkele meters per jaar. Ook zal er een
schaarste van voedsel optreden. In landen als India voorspellen experts
dat uitputting van het grondwater kan leiden tot een daling van de
agrarische opbrengst van 25% (IWMI, 2005).
Om het watergebruik de komende decennia te veranderen zijn er reële
waterbesparingen en productiviteitsverhogingen nodig. Deze kunnen op
verschillende manieren worden verwezenlijkt:
- Een beter georganiseerde watervoorziening aan geïrrigeerde gebieden
- Precisie bevloeiingstechnieken
- Waterrecycling
- Beheersystemen die feedback geven over de efficiëntie van de
irrigatiesystemen, zodat het rendement
kan worden gemeten en bijgesteld
In veel landen is het bovendien noodzakelijk dat de waterbedrijven
efficiënter werken. Wanneer deze bedrijven er niet in slagen zich aan te
passen, kunnen ook geen nieuwe waterbesparingsrichtlijnen en –maatregelen
worden ingevoerd (IWMI, 2005).
De milieuprobleemketen (fig. 1) bestaat uit een vijftal met elkaar
verbonden blokken:
Initiële oorzaken (basisoorzaken of Driving forces) leiden via
maatschappelijke activiteiten en ontwikkelingen tot ingrepen
(Pressures). Deze zullen de kwaliteit van het milieu (State) beïnvloeden
en uiteindelijk leiden tot maatschappelijk gewaardeerde gevolgen (effecten
of Impact). Als gevolg hiervan reageert de maatschappij. Deze reactie
(Response) kan zijn gericht op elk van de genoemde onderdelen in de
keten (WUR, 2004).
|
Driving forces
basisoorzaken/
activiteiten en maatschappelijke ontwikkelingen

à |
Pressures
Ingrepen in de leefomgeving
Milieu-invloeden
à |
State
Kwaliteit van het milieu
à |
Impact
Effecten op mensen, maatschappelijke functies en natuurwaarden |
|
Response
Reactie van de maatschappij
|
Figuur 1: DPSIR-model (Bron: WUR, 2004)
Dit kan als volgt worden geïnterpreteerd:
De basisoorzaken van het tekort aan schoon drinkwater zijn de mensen,
die natuurlijke bronnen in vergaande mate exploiteren. Er wordt teveel
water en grond gebruikt. Daarbij wordt niet voldoende nagedacht over de
gevolgen. Een gevolg is uitputting door overmatig oppompen;
waterverzadiging en verzilting door onvoldoende afwatering; en
vervuiling door intensieve landbouw, industrie en andere menselijke
activiteiten.
Hierdoor is er minder aanbod van schoon drinkwater, en is er onvoldoende
voedsel. Ondertussen stijgt de wereldbevolking, zodat steeds meer mensen
schoon drinkwater nodig hebben. De kwaliteit van het milieu gaat
hierdoor achteruit. Het totale effect is dat steeds meer mensen met
minder schoon drinkwater en voedsel moeten gaan consumeren.
De maatschappij is in sommige gevallen niet in staat adequaat te
reageren. Wanneer het grondwaterpeil al meerdere meters gedaald is,
worden de kosten van oppompen alleen maar hoger en het rendement steeds
lager.
De Europese Kaderrichtlijn Water
Totstandkoming van de KRW
Begin jaren ‘90 was duidelijk merkbaar dat men binnen Europa het
waterbeleid beter wilde ordenen. De Europese landen wilden alles
wettelijk geregeld hebben. Men wilde de kwaliteit van alle watersoorten
en waterstromen verbeteren en de waterverontreiniging aanpakken.
De wens ontstond om de oude richtlijnen op het gebied van water samen te
voegen tot één overzichtelijke regeling. Deze wens leidde uiteindelijk
tot de Kaderrichtlijn Water (KRW).
Voor de totstandkoming van de KRW is het van essentieel belang geweest
dat in 1992 het verdrag van Helsinki, betreffende de bescherming van het
gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale waterlopen,
is getekend.
Dit verdrag verplichtte de deelnemende landen om samen te werken en een
gemeenschappelijk waterbeleid te voeren. Vanaf 1995 nam de gehele
Europese Unie deel aan de KRW (EC, 2000).
In principe is een nieuwe richtlijn alleen mogelijk wanneer een bepaald
milieugerelateerd onderwerp hoog op de agenda staat. Dit was in de tijd
van de totstandkoming van de KRW het geval, omdat deze samenviel met de
derde milieugolf. De derde milieugolf kwam op gang na de oliecrisis in
1973. De bevolking en overheden werden zich toen steeds meer van het
milieu bewust. ‘Our common future’(1987) is een rapport dat behoort tot
deze milieugolf. Dit rapport beschrijft duurzaamheid als een belangrijke
doelstelling. Hierop wordt in hoofdstuk 2 verder ingegaan (Connely,
2003).
Doelstellingen en actoren
Na de toetreding van de EU tot het verdrag van Helsinki in 1995 werden
verschillende richtlijnen betreffende water samengevoegd tot één
regeling; de genoemde Europese Kaderrichtlijn Water.
Enkele richtlijnen die in deze regeling zijn betrokken, zijn:
- Een richtlijn voor het terugdingen van waterverontreiniging door
gevaarlijke stoffen
- Een richtlijn voor de bescherming van grondwater
- Een richtlijn over de waterkwaliteit
- Een stapsgewijze aanpak om na verloop van tijd tot stroombeheersgebied
beheersplannen met concrete
resultaten te komen
Tevens zijn er richtlijnen die niet direct gerelateerd zijn aan de
bescherming van de waterkwaliteit. Voorbeelden zijn richtlijnen over
geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, richtlijnen
over het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en
richtlijnen over de verkoop van biociden.
Men gaat ervan uit dat water geen gewone handelswaar is, maar een
erfgoed waar men zuinig mee om dient te gaan.
De doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water zijn dan ook:
- Waterachtige ecosystemen en gebieden die direct afhankelijk zijn van
waterachtige ecosystemen voor
verdere achteruitgang behoeden
- Een forse vermindering van lozingen en emissies bewerkstelligen, om de
kwaliteit van het water te
verbeteren
- Duurzaam gebruik van water op basis van beschikbare waterbronnen op
lange termijn bereiken
- De verontreiniging van grondwater tot een minimum beperken
Verder is de harmonisatie van de Europese waterwetgeving een
doelstelling van de KRW. Alle doelstellingen zijn ontwikkeld voor de
bescherming van landoppervlaktewater (overgangswater en kustwater) en
grondwater. Tevens zijn er aparte doelstellingen voor beschermde
gebieden.
Voor oppervlaktewater is het bereiken van een goede ecologische toestand
en een goede chemische toestand van belang. Voor grondwater is het
belangrijkste doel het beschermen, verbeteren en herstellen van alle
grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en
aanvulling van grondwater. Verder moet de grondwaterverontreiniging
verminderd worden.
Beschermde gebieden zijn gedefinieerd als watergebieden voor de
onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water. Dit zijn
watergebieden in verband met economische significantie (levende planten-
en diersoorten; ook wel schelpdierwater), zwemwaterlocaties en Vogel- en
Habitatrichtlijn gebieden. Ook hier wil men de toestand van het water
verbeteren (EC, 2000).
De Europese Kaderrichtlijn Water wil deze doelen bereikt hebben op 22
december 2015. Daar mogen eventueel nog twee keer twee periodes van zes
jaar achter aan komen. Uiteindelijk moeten de doelstellingen in 2027
gerealiseerd zijn.
Voor de invoering en controle op de kaderrichtlijnen zijn bevoegde
autoriteiten nodig. Een bevoegde autoriteit is verantwoordelijk voor het
op de juiste manier uitvoeren van de verplichtingen van de
Kaderrichtlijn. De bevoegde autoriteit vormt de schakel tussen nationale
en internationale coördinatie.
In Nederland vormen op nationaal niveau drie ministers de coördinerende
autoriteit:
- De Minister van Verkeer en Waterstaat (V&W)
- De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(VROM)
- De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (LNV)
Wanneer een waterhuishouding binnen een provincie, waterschap of
gemeente valt, zijn ook lagere bestuursorganen verantwoordelijk voor de
uitvoering van de Kaderrichtlijn. Rijkswaterstaat, als “beheerder van
het hoofdwatersysteem”, heeft tevens verantwoordelijkheid. In de
genoemde beschermde gebieden die vallen onder de Vogel- en
Habitatrichtlijn, neemt LNV de realisatie van de doelstellingen waar
(EC,2000).
Verder is er vanaf 2003 de Nationale Regiegroep Water, ook wel de
Regiekolom Water genoemd. Deze bestaat uit vertegenwoordigers van V&W,
LNV, VROM, het Landelijk Bestuurlijk Overleg Water (LBOW), de Regiogroep
Water, de Coördinatiegroep Water, de Unie van Waterschappen (UvW), het
Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten (VNG). Dit is een overkoepelende organisatie binnen Nederland,
die binnengekomen informatie van de aangesloten instanties verzameld, en
deze voorbereid. Deze organisatie stuurt haar bevindingen en ideeën door
naar de Europese Commissie te Brussel.
Ten slotte coördineert het LBOW de voortgang van de maatregelen uit het
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), waaronder ook de uitvoering van
de KRW valt. Het instituut neemt beslissingen over methodes en andere
uitgangspunten met betrekking tot water, die regionaal en landelijk
worden toegepast (EC, 2000).
Het netwerk van de KRW
Op Europees niveau stellen de Europese Waterdirecteuren kaders voor de
algemene uitwerking van de Kaderrichtlijn Water. Zij spelen een centrale
rol wat betreft de afstemming tussen de lidstaten, en in het overleg
over de richtlijn.
De EU waterdirecteuren werken samen met de Europese Commissie en hebben
een gezamenlijke strategie voor de invoering van de richtlijn bedacht.
Daarin staan de belangrijkste thema's aangegeven waarvoor overeenkomsten
nodig zijn. Bij elk thema worden zogenaamde richtsnoeren ontwikkeld door
werkgroepen; de deelnemers uit diverse EU-lidstaten. Deze dienen om de
Kaderrichtlijn Water zo goed mogelijk uit te kunnen voeren. De
werkgroepen geven op die manier een antwoord op wetenschappelijk,
technische en praktische vragen.
De dertien richtsnoeren, ook wel “guidances” genaamd, dienen om de
lidstaten van de Europese Unie individueel de vrijheid te geven bij de
uitvoering van de Europese Kaderrichtlijn Water. Wanneer de uitvoering
in de nationale praktijk niet overeenkomt met de internationale keus
binnen de richtsnoeren, wordt er of voor een ruimere interpretatie
gekozen van de richtsnoeren. Ook kan het zijn dat de betreffende
nationale praktijk veranderd wordt. De meeste richtsnoeren zijn in
november 2002 vastgesteld verwerkt in een handboek.
De Europese Commissie krijgt advies van de Expert Advisory Fora (EAF’s).
De activiteiten van de EAF zullen er op den duur toe leiden dat
wettelijk bindende richtlijnen ontstaan.
Momenteel zijn de meeste richtsnoeren afgerond en is de aandacht voor
een deel verschoven naar de praktische uitvoering van de Kaderrichtlijn.
Er zijn momenteel vijf Europese werkgroepen actief, elk met een ander
taakveld: ecologische status, integraal stroomgebiedbeheer, grondwater,
rapportages of prioritaire stoffen. Ook is in 2005 een stuurgroep
opgericht voor de relatie Europese Kaderrichtlijn Water en de landbouw
(EC, 2000).
De Nederlandse activiteiten met betrekking tot water vinden op
verschillende niveaus plaats en worden zo goed mogelijk afgestemd op het
Europese Beleid.
Nederland is ingedeeld in vier stroomgebiedsdistricten: Rijn, Maas,
Schelde en Eems. Tot het stroomgebieddistrict behoort niet alleen het
water van de betreffende rivier, maar alle wateren in de betreffende
regio. Dit houdt in dat ook vertakkingen, meertjes, en zelfs
zandafgravingen die niet in contact staan met andere oppervlaktewateren
daartoe behoren. Voor de Rijn, Maas, Schelde en Eems werken provincies,
gemeenten, waterschappen en regionale directies van Rijkswaterstaat
samen om de verplichtingen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water zo
goed mogelijk uit te kunnen voeren. Voor de Rijn zijn zelfs subregio’s
ontwikkeld, namelijk: Rijn-West, Rijn-Noord, Rijn-Midden en Rijn-Oost.
Per regio is er een stroomgebiedcoördinator aangewezen, die de
uitvoering van de kaderrichtlijn in de regio’s coördineert.
De doelstellingen van de KRW moeten in Nederland per stroomgebied worden
gerealiseerd. Deze moeten gelijk zijn voor elk aanwezig waterlichaam in
het gebied. Per stroomgebied moet een bepaalde waterkwaliteit worden
behaald. Deze is onderdeel van de zogeheten “stroomgebiedbeheersplannen”.
De eerste plannen staan op de agenda voor 2009 (EC, 2000).
Beleidsvoering vanuit de KRW
Het tot op heden gevoerde beleid in de Europese Unie is er op gericht om
de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (zie 1.2.2) te
halen. Toch is er veel discussie geweest over de definitieve
vaststelling van de tekst van de Kaderrichtlijn. Er werd vooral over
nagedacht of de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn gezien moeten
worden als een inspanningsverplichting, of als een
resultaatsverplichting.
In het handboek van de Kaderrichtlijn is hierover de volgende tekst
opgenomen:
”De milieudoelstellingen uit de Kaderrichtlijn kunnen worden gezien als
richtwaarden of als grenswaarden. Een grenswaarde geeft de kwaliteit aan
die op een bepaald tijdstip tenminste moet zijn bereikt (= een
resultaatsverplichting). Een richtwaarde geeft de kwaliteit aan die op
het aangegeven tijdstip zoveel mogelijk moet zijn bereikt, een soort
inspanningsverplichting. Een inspanningsverplichting is wel degelijk een
verplichting: het beleid moet met behulp van genoemde maatregelen zijn
gericht op het verwezenlijken van de richtwaarde op het aangegeven
tijdstip. Op dit moment maakt het echter nog niet veel uit hoe de
verplichting precies moet worden uitgelegd. Het gaat om een
resultaatsverplichting of een zware inspanningsverplichting” (EC,2000).
In 2015, los van het feit of men de doelstellingen wil zien als
resultaats- of inspanningsverplichtingen, wil men in de Europese Unie
tot een adequate uitvoering zijn gekomen van de Kaderrichtlijn. Men wil
de milieudoelstellingen halen door middel van een maatregelenprogramma.
Het maatregelenprogramma hoeft pas in 2009 gereed te zijn. Voor 2009 is
dit ook niet haalbaar, gezien de omvang van het project; de gehele
Europese Unie doet aan de Kaderrichtlijn mee. Na 2009, uiterlijk in
2012, zijn de maatregelen pas in zijn geheel duidelijk. Voor 2015 zullen
waarschijnlijk niet alle maatregelen volledig effect hebben getoond.
In de Kaderrichtlijn staat aangegeven, dat de Europese lidstaten
verplicht zijn tot het beschermen en verbeteren van oppervlaktewater en
grondwater met de bedoeling de goede toestand in vijftien jaar te
bereiken. Dit is een voorbeeld van een inspanningsverplichting. Ook zijn
er standstill verplichtingen, om te proberen een verdere achteruitgang
van de watertoestand te voorkomen. Deze zijn duidelijk en zijn direct
uitvoerbaar.
Het is voor Nederland nog onduidelijk wat de richtwaarden en/ of
grenswaarden voor de afzonderlijke wateren concreet inhouden. Wanneer
dat nog niet duidelijk is, kan er ook niet veel gezegd over de concrete
uitvoer. Algemeen kan gezegd worden dat de Kaderrichtlijn nog nadere
invulling behoeft.
De besluiten om de Kaderrichtlijnen in werking te laten treden zijn nog
maar net genomen. We mogen in principe aannemen dat de nationale
overheden pas na 2009, wanneer de maatregelen definitief bekend zijn,
een actief beleid zullen gaan voeren ten aanzien van de Europese
Kaderrichtlijn Water. Het is een langdurig proces, waardoor pas op zijn
vroegst in 2015 de eerste vruchten van de richtlijn afgeworpen zullen
worden. Desalniettemin is de door de Europese Commissie gestuurde
Kaderrichtlijn een verbetering voor het Europese waterbeleid, ten
opzichte van het beleid in de oude situatie (EC, 2000).
De Kaderrichtlijn verplicht lidstaten de kosten van waterdiensten door
te berekenen op basis van het principe ‘de vervuiler betaalt’ (polluter
pays principle; PPP).
Het zou daarom niet verkeerd zijn om tegen 2010 prikkels in het
waterprijsbeleid in te bouwen, die bijdragen aan een duurzaam beheer van
water. De verschillende watergebruikers (huishoudens, bedrijven en
landbouw), moeten daardoor een redelijke bijdrage leveren aan de
terugwinning van de kosten van waterdiensten. Dit komt overeen met het
genoemde ‘vervuilers betalen’- principe.
Toch is deze maatregel nogal ingrijpend en heeft daardoor veel discussie
opgeleverd. Bijvoorbeeld in Ierland, waar gratis drinkwater voor de
bevolking in de Grondwet is vastgelegd.
In Nederland moet ook antwoord gevonden worden op de vraag: “Hoe en aan
wie berekenen we de kosten door die nodig zijn voor het uitvoeren van
noodzakelijk beleid?”
Het kan natuurlijk niet zijn dat burgers plotseling met torenhoge
rekeningen worden geconfronteerd (Corbey, 2005).
De Kaderrichtlijn Water in het kort
De Kaderrichtlijn Water richt zich op de bescherming
van water in alle wateren en stelt zich ten doel dat alle Europese
wateren in het jaar 2015 een 'goede toestand' hebben bereikt en dat er
binnen heel Europa duurzaam wordt omgegaan met water. Dit nieuwe
overkoepelende systeem komt op het juiste moment, omdat de waterbronnen
van Europa in toenemende mate worden belast. Het heeft geen zin om de
problemen nog langer voor ons uit te schuiven. Laten we nu de handen uit
de mouwen steken en onze waterbronnen veiligstellen voor nu en voor
later.
De nieuwe richtlijn betekent een ambitieuze en
innovatieve aanpak van waterbeheer. Kernelementen van de wetgeving zijn:
- De bescherming van alle wateren, rivieren, meren,
kustwateren en grondwateren
- Het stellen van ambitieuze doelen, om ervoor te
zorgen dat alle wateren in het jaar 2015 de 'goede toestand' hebben
bereikt.
- De verplichting tot grensoverschrijdende
samenwerking tussen landen en tussen alle betrokken partijen
- Ervoor zorgen dat alle belanghebbenden, met
inbegrip van NGO's en lokale gemeenschappen, actief deelnemen aan
activiteiten op het gebied van waterbeheer
- De verplichting van het voeren van een
waterprijsbeleid en ervoor zorgen dat de vervuiler betaalt
- Het in evenwicht houden van de milieubelangen en de
belangen van zij die afhankelijk zijn van het milieu.
De wijze waarop de Kaderrichtlijn Water wordt
geïmplementeerd is uniek. De richtlijn gaat ervan uit dat alle betrokken
partijen meedoen. Ook biedt de richtlijn de Europese Commissie,
lidstaten, kandidaat-lidstaten en alle belanghebbenden de mogelijkheid
om via een nieuwe partnerschap het proces te volbrengen met als
resultaat een effectieve en samenhangende introductie. De bepalingen van
de richtlijn zijn complex en verstrekkend. Er is een algemeen besef dat
implementatie in grote mate zal worden ondersteund door het opstellen
van richtsnoeren met betrekking tot een reeks technische kwesties. Deze
uitdaging is opgenomen in het raamwerk van de gezamenlijke
implementatiestrategie (Common Implementation Strategy) voor de
Kaderrichtlijn Water, die het resultaat is van samenwerking tussen de
lidstaten en de Europese Commissie en is aangenomen in mei 2001. (Waterland,
2005).
KRW nieuws
Op 21 juni 2005 is de
Implementatiewet Kaderrichtlijn water in Staatsblad nr. 303 gepubliceerd.
Dat betekent dat de Europese richtlijn voor de kwaliteit van het
oppervlaktewater per 22 juni 2005 in de Nederlandse wetgeving is
opgenomen. De richtlijn had eigenlijk al in december 2003
geïmplementeerd moeten zijn. Vanwege de overschrijding is Brussel al een
procedure begonnen bij het Europees Hof en het is niet de verwachting
dat die procedure zal worden stopgezet.
In september 2005 kwam uit de individuele
waterkwaliteit rapportages van de lidstaten naar voren, dat nog de helft
van de oppervlaktewateren een risicocategorie is. Dat wil zeggen dat
zonder maatregelen in 2015 niet aan de KRW kan worden vorldaan. Er wordt
echter wel gedacht dat dit in veel gevallen opzet van de lidstaten is
geweest, omdat men het makkelijker vindt uiteindelijk aan Brussel te
kunnen melden dat het allemaal wel meevalt, dan ineens een nog groter
pakket maatregelen te moeten nemen.
Referenties
Connely, J. and Smith, G., Politics and the Environment.
From Theory to Practise, 2nd edition, Routhledge, London and New
York, 2003
Corbey, Dr. D, Kaderrichtlijn Water: Wat komt er op de gemeenten af?,
www.corbey.nl (28-03-2005)
EC, 2000. Water Framework Directive 2000/60/EG, Europese
Kaderrichtlijn Water, www.kaderrichtlijnwater.nl (16-03-2005)
IWMI; International Water Management Institute;
www.iwmi.cgiar.org (14-03-2005)
VEWIN, 2005, Helft Europese wateren zou nu niet
voldoen aan Kaderrichtlijn Water, Water in de pers september 2005
Waterland, Waterland, het waterportaal voor
Nederland, www.waterland.net (28-03-2005)
WUR, 2004. Onderzoeksmethoden in de Life Sciences, dictaat
CTP10304, februari 2004, p. 206 |