Samenstelling – de chemische smanestelling
van groundwater wordt bepaald door de geologische structuur van de
bodem waarin het zich bevindt. Omdat water constant in contact is
met de bodem waarin het zich bevindt, ontstaat een equilibrium
tussen de samenstelling van de bodem en die van het grondwater.
Water dat bijvoorbeeld circuleert door zand of graniet is zuur en
bevat weinig mineralen. Water dat zich in kalklagen bevindt is
basisch en bevat (bi)carbonaten. De volgende tabel vergelijkt de
eigenschappen van oppervlaktewater met die van grondwater gebaseerd
op standaard laboratorium analyses [1].
|
Eigenschap
|
Oppervlaktewater |
Grondwater |
|
Temperatuur |
Varieert per seizoen |
Redelijk constant |
|
Troebelheid,
SS |
Niveau variabel, soms
hoog |
Laag tot niets |
|
Kleur |
Veroorzaakt door SS (klei,
algen), in zachte of zure wateren door humuszuren |
Vanwege opgeloste stoffen |
|
Mineralen |
Verschilt per bodem, bestanddelen, regenval, etc. |
Grotendeels constant,
meestal wel veel hoger dan in omringend oppervlaktewater |
|
Tweewaardig Fe
and Mn in oplossing |
Meestal geen, behalve op de
bodem van meren en vijvers die zijn geëutrofieerd |
Meestal aanwezig |
|
Aggressief
CO2 |
Meestal geen |
Vaak aanwezig |
|
Opgelost
O2 |
Meestal bij verzadigings
niveau, afwezig in erg vervuild water |
Meestal aanwezig |
|
H2S |
Meestal geen |
Vaak aanwezig |
|
NH4 |
Allen in vervuild water |
Vaak aangetroffen |
|
Nitraten |
Meestal lage concentratie |
Concentratie soms hoog |
|
Silica |
Meestal gemiddelde hoeveelheid |
Meestal hoge concentratie |
|
Minerale en organische microverontreinigingen |
Kan aanwezig zijn maar
verdwijnt snel als de bron is verwijderd |
Meestal niet, maar
verontrieniging door ongeluk blijf erg lang aanwezig |
|
Levende organismen |
Bacteriën,
virussen, plankton |
IJzer bacteriën vaak
aanwezig |
|
Gechloreerde oplosbare stoffen |
Zelden aanwezig |
Vaak aanwezig |
|
Eutroof karakter |
Vaak. Meer bij hogere temperaturen |
Geen |
De meest opvallende eigenschappen
van groundwater zijn lage troebelheid, een constante temperatuur en
chemische samenstelling en een bijna constante fawezigheid van
zuurstof. Circulerend grondwater kan behoorlijk in samenstelling
variëren door aanwezigheid van verontreinigingen. Grondwater is vaak
in biologische samenstelling vrij puur.
Grondwaterstroom – grondwater is vrijwel constant in beweging,
hoewel de snelheid slecht heel laag is vanwege remming door de
bodemlagen waardoor het heen stroomt.
Grondwater beweegt eerst vertikaal onder invloed van de
zwaartekracht. Omdat het van hoge druk naar lage druk beweegt kan
ook een opwaartse stroom plaatsvinden.
Twee eigenschappen van steen bepalen de grondwaterstroom: porositeit
en doorlatendheid. Porositeit is het percentage van een bodemlaag
waarin zich allen lucht bevindt (open ruimte). Dit bepaald de
mogelijke hoeveelheid water in een bodemlaag.doorlatendheid is een
maat voor de verbinding van proiën en de grootte van de verbindingen.
Lage porositeit resulteerd in lage doorlatendheid, maar hoge
porositeit garandeert geen hoge doorlatendheid. het is mogelijk dat
een bodem zeer poreus is, zonder dat veel verbindingen tussen de
poriën ontstaan. Een voorbeeld van een soort steen waarbij dit het
geval is, is vulkanisch steen. Gasbellen maken het steen zeer poreus,
maar de poriën zijn niet verbonden en dus heeft het steen een lage
doorlatendheid [2].
Grondwatersnelheid en volumestroom

De snelheid van grondwater in de
verzadigde zone van de bodem hangt af van de doorlatendheid van
gesteente en van de hydraulische gradiënt. De hydraulische gradiënt
betekent het verschil in verhoging gedeeld door de afstand tussen
twee punten van het waterpeil. Snelheid, V, is dan:
V = K(H2 - H1)/ L
Waarin: K = doorlatendheids coëfficiënt, H1 - H2 =
stijghoogteverschil en L = afstand tussen de stijghoogtemetingen.
Wanneer we bovenstaande formule vermenigvuldigen met de oppervlakte
A waardoor het water zich beweegt, komt daaruit de volumestroom per
tijdseenheid, Q.
Dit heet de Wet van Darcy:
Q = A * K(H2 - H1)/ L
Bronnen en putten – een bron is een gebied aan het
aardoppervlak waar het waterpeil aan de oppervlakte ligt en water
uit de grond komt. Bronnen ontstaan als een ondoorlaatbaar gesteente
(een aquilude) een doorlaatbaar gesteente (een aquifer) kruist. De
hoeveelheid bronnen in een gebied hangt sterk af van de geologie in
een gebied. Wanneer een ondoordringbaar gesteente (bijv. klei) onder
een laag verzadigde bodem of gesteente ligt, zullen een aantal
bronnen aanwezig zijn waar de kleilaag zich bevindt. Scheuren in
kalksteen lagen worden vaak vergroot door oplossing in grondwater,
zodat kleine ondergrondse tunnels en grotten worden gevormd.
Een put is een gat in de grond dat door mensen is gegraven om
grondwater op te pompen. Een artesische put is een zeer diepe put
waarin water naar boven komt onder druk. Een artesische put benodigd
een aflopende aquifer die tussen ondoordringbaar gesteente zit.
Water wordt onder druk naar boven gedrongen. Op grote hoogte bereikt
het water de rand van de aquifer en percoleert weer naar beneden
door poriën. Het water in deze ruimten staat onder druk door het
gewicht van het water in de aquifer erboven. Wanneer een put wordt
gegraven vanuit het oppervlak door de ondoordringbare laag in de
aquifer doet de druk het water in de put stijgen. In gebieden waar
de aquifer steil is, zal de druk het water omhoog duwen in een
permanente fontein.
Water uit een artesische put of bron is meestal koud en bevat geen
organische verontreinigingen, zodat het erg geschikt is om te
drinken.
Spring [2]

Well [2]
Aanverwante pagina’s
Grondwater definities
Oorsprong en hoeveelheden grondwater
Grondwater
vervuiling
Grondwater verontreinigingen
Bronnen van grondwater
verontreiniging Grondwater kwaliteit
Grondwater reiniging
Zeewater indringing
Nitraten in grondwater,
arseen in grondwater en ijzer in grondwater
Europese normering
EU grondwater |