|
Het stikstofgehalte
(opgeloste anorganische stikstofverbindingen zonder N2) in
zeewater ligt bij tot 0,5 ppm en is aan het oppervlak met slechts
ongeveer 0,1 ppb duidelijk lager dan in de diepzee. Ook de concentratie
in rivierwater varieert heel sterk, maar ligt over het algemeen bij
circa 0,25 ppm.
Binnen de anorganische vormen van het element zijn er afhankelijk van de
eigenschappen van het water verschillen te vinden. Zo is stikstof in
aërobe wateren vooral in vorm van N2 en NO3-
aanwezig en komt afhankelijk van de milieucondities eventueel ook als N2O,
NH3, NH4+, HNO2, NO2-
en HNO3 voor.
In kustgebieden is vooral het elementaire stikstofgas (N2) te
vinden. Dit is ook geen verrassing, als men erover nadenkt dat de lucht
tot 78% uit stikstof bestaat en het luchtcontact aan de kust door
golfbewegingen en de geringe diepte van het water redelijk hoog is.
De grootste rol in biochemische processen speelt vooral de aanwezigheid
van ammonium, nitraat en nitriet, maar ook van organische
stikstofverbindingen in wateren. Het totale stikstof geeft de som van
organische en anorganisch stikstofverbindingen aan. Bij afvalwater wordt
meestal het kjeldahl-stikstof als meetgegeven gebruikt. De TKN-waarde (Total
Kjeldahl Nitrogen) geeft de concentratie aan totale stikstof aan die in
dit geval de som van organisch gebonden stikstof en ammoniumstikstof is
(TKN = org.N + NH4-N [mg/L]). Stikstof komt in het afvalwater
bijna alleen in deze vorm voor. Na een biologische afvalwaterbehandeling
is vooral de geoxideerde vorm nitriet te vinden.
Stikstofgas reageert niet met water, maar lost erin op.
De oplosbaarheid van stikstof in vorm van N2 in water bij
20oC en 1 bar ligt bij circa 20 mg/L. De oplosbaarheid van
stikstofverbindingen kan heel verschillend zijn. Zo is bijvoorbeeld
stikstof(I)oxide tot 1,12 g/L en nitriloacetaat (zout) tot zelfs 640 g/L
oplosbaar, terwijl stikstofchloride in water onoplosbaar is. Ook
nitraten en ammoniak zijn goed in water oplosbaar.
Oplosbaarheid en waardoor deze beïnvloed
kan worden
Stikstof komt voor een groot deel door agrarische processen in het
milieu en dus ook in water terecht. Een heel grote rol spelen hierbij
meststoffen die het element vooral in vorm van nitraat, maar ook van
ammoniak, ammonium, ureum en amiden bevatten. De belangrijkste
stikstofmeststoffen zijn waarschijnlijk NaNO3 (chilisalpeter)
en NH4NO3 (ammoniumnitraat). Na de bemesting wordt
slechts een relatief klein deel, namelijk 25-30%, van het stikstof door
planten opgenomen. De rest komt via de bodem in grond- en
oppervlaktewater terecht, omdat vooral nitraten heel goed oplosbaar
zijn. Ook door de bio-industrie wordt erg veel stikstof geëmitteerd. In
organisch mest komt het voor een groot deel in vorm van
eiwitverbindingen, ureum of amiden voor, die verschillend goed opgenomen
kunnen worden. Guano geldt als heel goede natuurlijke meststof. Ten
slotte is stikstof bestanddeel van verschillende pesticiden en wordt op
deze manier op landbouwgrond verdeeld.
Stikstofverbindingen worden ook in verschillende andere industrieën
gebruikt. Zo wordt het meeste stikstof ervoor benut om ammoniak met
behulp van het Haber-Bosch-proces te synthetiseren. Hiervan kunnen dan
weer stikstofoxiden, zoals N2O, het in de anesthesie
gebruikte lachgas, geproduceerd worden. Ook salpeterzuur, ureum,
hydrazine en aminen zijn producten uit de stikstofindustrie, zoals de
boven genoemde meststoffen. Stikstofverbindingen komen bovendien als
tussenproducten bij de productie van kleurstoffen en kunststoffen vrij.
Vloeibaar stikstof wordt in grote hoeveelheden gebruikt om
voedingsmiddelen in te vriezen. Hetzelfde principe wordt bij het
diepvriezen van biologische monsters en preparaten toegepast. Bovendien is het
vloeibare element interessant voor de ontwikkeling van supergeleiders
van specialkeramiek.
Als beschermend gas dient stikstof bijvoorbeeld bij het lassen en in de
halfgeleiderproductie. Als drijfgas wordt het in spuitbussen en
brandblussers ingezet. N2O4 is een oxidator in
rakettenbrandstof. Ook is het element bestanddeel van springstoffen en
wordt het bijvoorbeeld in de mijnbouw benodigd.
Een niet te onderschattende hoeveelheid stikstof is ook in huishoudelijk
afvalwater te vinden. De hoeveelheid is hierbij afhankelijk van het
eiwitverbruik van de bevolking. Meestal bestaat ongeveer een derde van
de stikstofvracht uit organische stikstofverbindingen, waarbij het
vooral om ureum gaat. De rest zijn ammoniumzouten. Het aandeel aan
nitraten en nitrieten in huishoudelijk afvalwater ligt normaal niet
boven de 3%. De afbraakproducten na de gebruikelijke eerste twee trappen
van de rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn vooral ammonium en nitraat.
Nitraten en nitrieten worden ook als voedingsmiddeladditieven gebruikt
om bijvoorbeeld de rode kleur van vlees te conserveren en toxinevorming
te voorkomen.
In vorm van NTA (nitrilotriacetaat) wordt het element als
fosfaatvervanger toegevoegd aan wasmiddel. Ten slotte kan stikstof uit
afvalstortplaatsen in water en bodem terechtkomen.
Natuurlijk is er ook een natuurlijke
stikstofcyclus die de aanwezigheid
van een groot deel van stikstof in bodem, water en lucht kan verklaren.
Stikstof is een essentieel element voor alle organismen, omdat het
bestanddeel van alle proteïnen en nucleïnezuren is. Zo bestaan planten
tot ongeveer 7,5% (drogestofgehalte) uit dit element. Stikstof is voor
planten heel belangrijk en komt in de lucht in grote hoeveelheden voor.
Toch kan het in deze elementaire vorm niet worden opgenomen. Het moet
eerst in een andere vorm, vooral als nitraat, worden gebonden. Bij de
zogenoemde nitrificatie kunnen bacteriën ammoniak in nitriet en nitriet
in nitraat omwandelen. Hierbij komt energie vrij en het eindproduct is
een van de belangrijkste bronnen voor het normale nitraatgehalte van de
grond, waarop ten slotte ook hogere planten kunnen groeien.
Bij een bijkomende nitraatbemesting is meteen een hoger nitraatgehalte
in de beplanting te meten. Een aantal planten, zoals bijvoorbeeld
spinazie, accumuleren deze verbinding zelfs. Worden stikstofhoudende
meststoffen buiten de groeiperiode gebruikt, is dit compleet nutteloos
en heeft het zelfs negatieve effecten op het milieu. De meststof kan
niet opgenomen en ook niet geïmmobiliseerd worden. Daarom komt hij snel
in grond- en drinkwater terecht. Het verspreidingspotentiaal van nitraat
geldt als hoog.
Een aantal planten zijn redelijk gevoelig voor NO2. In de
vorm van HNO3 is stikstof een belangrijk bestanddeel van
neerslagwater. Samen met H2SO4 veroorzaakt hij de
zogenoemde zure regen die negatieve gevolgen voor bodem en planten
heeft.
Omdat stikstof dus een essentieel bestanddeel van proteïnen is, is het
ook in dierlijk weefsel in grote hoeveelheden aanwezig. In elementaire
vorm heeft het geen directe werking op warmbloedige organismen. Dat hogere
stikstofconcentraties in de ademlucht tot verstikking kunnen leiden,
ligt waarschijnlijk eerder eraan dat het zuurstofgehalte in de ademlucht
in dit geval lager is.
Stikstof zelf geldt ook niet als waterbedreigend stof en veroorzaakt dus
algemeen geen milieuschade. In de zee functioneren nitraten, nitrieten
en ammoniumverbindingen als voedingszouten voor plankton, waardoor aan
het oppervlak van het water duidelijk minder stikstofverbindingen
aanwezig zijn dan in de diepte. Bij een stijgend stikstofgehalte in de
bovenste waterlagen, stijgt ook de productie van het plankton en de
zogenoemde algenbloei kan ontstaan. Dit geldt ook voor andere wateren.
Grote hoeveelheden aan stikstof die onder neutrale en aërobe
omstandigheden vooral als nitraat voorkomt, kunnen zo dus
eutrofiering veroorzaken, dat
betekent een te grote verzorging met voedingsstoffen die vaak in
zuurstoftekort en vissterfte resulteert (zie ook
Zuurstof en water). Vaak is dit van
minder groot belang, omdat normaal fosfor de rol van de
minimumfactor inneemt. Op die manier limiteert het stikstofgehalte niet
de algengroei, maar deze kunnen zich vaak toch niet verspreiden, omdat
hun groei door het fosforvoorkomen wordt beperkt. Deze natuurlijke
toestand komt inmiddels niet meer in alle wateren voor (zie ook
Fosfor en water).
Als er te weinig zuurstof in het water beschikbaar is, wordt nitraat
vaak gereduceerd tot elementair stikstof of N2O. Door deze
zogenoemde denitrificatie kunnen dus gebonden zuurstofreserves vrijkomen,
als het zuurstofgehalte op nul daalt. In sommige gevallen kan nitraat
biologisch zelfs tot ammonium gereduceerd worden. Aan de andere kant
kunnen ammoniumverbindingen het zuurstofgehalte van oppervlaktewateren
verminderen, omdat zij via nitriet tot nitraat geoxideerd worden. Al
kleine concentraties aan vrij ammoniak of nitriet kunnen vistoxisch
zijn.
Ook de door bacteriën uitgevoerde nitrificatie kan in wateren optreden
en een belangrijke rol spelen. Hierbij wordt ammoniak tot nitriet en
nitriet tot nitraat geoxideerd. Zo wordt het nitrietgehalte verminderd,
wat positief voor hogere planten is, omdat nitriet voor deze bij lage
pH-waardes giftig is.
NOx-verbindingen reageren met water tot goed oplosbaar HNO3.
Op deze manier kunnen oceanen het gehalte aan stikstofoxiden in de
atmosfeer reduceren. PAN-verbindingen (PeroxyAcetylNitraat) ontstaan
door milieuverontreinigingen op het land, maar kunnen in de troposfeer
over grote afstanden ook over de oceanen worden getransporteerd en tot NOx afgebroken worden. Dit reageert
wederom zoals boven beschreven.
Er zijn ook voorbeelden voor stikstofverbindingen die door hun
toxiciteit opvallen. Zo kan het meestal in complexen met zware metalen
gebonden NTA de elektrolytstofwisseling verstoren en bijvoorbeeld bij de
rat vanaf een dosering van 14 mg/kg beschadigingen van de nieren
veroorzaken. De LD50-waarde die de dosering aangeeft, waarbij
50% van een populatie sterft, ligt voor NTA bij de rat bij 1,5 g/kg en
bij de resusaap bij 0,75 g/kg. Ook kan het tot chromosoomaberraties in
de in vitro systemen leiden. Voor nitrioaniline ligt de LD50
bij knaagdieren bij 1-3,6 mg/kg. De LC0-waarde voor dit stof,
dat betekent de concentratie in water, waarbij nog geen toxische
effecten te verwachten zijn, ligt voor de goudwinde bij 10 mg/L binnen 48
uur.
Stikstof heeft van nature twee stabiele isotopen. Inmiddels zijn er ook
zes instabiele isotopen.
Het menselijke lichaam bestaat tot ongeveer 2,6% uit stikstof, een
bestanddeel van alle proteïnen en nucleïnezuren. Daarom is het ook
duidelijk dat het hierbij om een essentieel element gaat. Stikstof is
hoofdbestanddeel van de lucht die we inademen, en een verhoogd
stikstofgehalte van deze kan hooguit verstikking als gevolg hebben,
omdat het zuurstofgehalte in dit geval automatisch lager wordt, maar
niet door stikstof zelf.
De mens neemt stikstof vooral in vorm van proteïnen op. Deze kunnen niet
worden opgeslagen en worden daarom, als ze niet worden benodigd, in
energie omgezet. Het stikstofgedeelte wordt hierbij via de nieren
onder andere als ureum uitgescheiden. Een ander deel van het opgenomen
stikstof raken wij via de huid en het maagdarmstelsel kwijt. Bij een
storing van de nierenfunctie kan een grote belasting met
afbraakproducten van eiwitten ontstaan. De omrekeningsfactor van
stikstof naar eiwit is 6,25. Deze waarde geeft echter niet aan of het om
goed of slecht verteerbaar eiwit gaat.
In drinkwater zijn vaak nitraten aanwezig, waarvan in concentraties van
minder dan 1000 mg/L nog geen gezondheidseffecten worden verwacht.
Nitraten worden vaak sowieso als ongiftig beschouwd, maar kunnen bij te
hoge concentraties in het lichaam in gevaarlijkere nitrieten omgewandeld
worden. Nitrieten zijn de giftige zouten van het salpeterzuur die door
de verandering van hemoglobine in methemoglobine het zuurstoftransport
in het bloed verstoren. Dit leidt bij volwassenen normaal hooguit tot
misselijkheid een maagklachten. Voor baby’s kan het echter vrij snel
gevaarlijk worden en cyanose, een zuurstoftekort in het bloed,
veroorzaken.
Ook vormen nitrieten samen met aminen afkomstig van eiwithoudende
voedingsmiddelen de zogenoemde nitrosaminen die als kankerverwekkend
gelden. Door de reducerende en antioxidatieve eigenschappen van vitamine
C kan deze reactie eventueel voorkomen worden.
Voorbeelden voor giftige stikstofverbindingen zijn PAN-verbindingen,
verbindingen die honderd keer giftiger kunnen zijn dan de
stikstofverbindingen waaruit zij ontstaan, een aantal nitrilen en
nitriloverbindingen. NTA is meestal in complexen met zware metalen
gebonden en wordt daarom in de maag minder goed geresorbeerd. Toch kan
het de elektrolytstofwisseling verstoren.
Stikstofoxiden spelen een duidelijk grotere rol in de lucht dan in het
water. Zo kunnen zij ziektes van de ademhalingsorganen veroorzaken. Ook
de dampen van het stikstofwaterstofzuur kunnen voor sterke irritaties
zorgen evenals voor hartkloppingen en collaps.
In rioolwaterzuiveringsinstallaties kunnen met behulp van de eerste
twee zuiveringstrappen slechts circa 50% van het aanwezige stikstof
worden
verwijderd. Voor een vervolgbehandeling heeft men processen met
kalk en onderchlorig zuur (HOCl) getest. Deze bleken echter niet
heel effectief te zijn. Daarom wordt tijdens de derde trap de
biologische stikstofverwijdering toegepast. Deze bestaat uit
nitrificatie en denitrificatie.
Bij de nitrificatie oxideren bacteriën ammoniumverbindingen die uit
eiwitafbraakprocessen afkomstig zijn, tot nitraten. Hiervoor moet
voldoende zuurstof beschikbaar zijn. Dit gebeurt met behulp van
beluchtinginstallaties. Men moet erop letten dat zich het water
lang genoeg in dit proces bevindt, de verblijftijd dus voldoende is.
Eigenlijk wordt ammonium eerst in nitriet en dit vervolgens in nitraat
omgezet. De reactievergelijkingen van deze processen zien eruit als
volgt:
2NH4+ + 3O2 -> 2NO2-
+ 2H2O + 4H+ -
door nitrosomonas
2NO2- + O2 -> 2NO3-
- door nitrobacter
Een ander biologisch proces is de denitrificatie, waarbij bacteriën, op
een simpele manier beschouwd, nitraat tot stikstof en zuurstof afbreken.
Het zuurstof gebruiken zij zelf, terwijl het stikstof in de lucht
belandt. Dit proces vindt alleen plaats, als voor de bacteriën geen
vrij zuurstof beschikbaar is. Normaal wordt bovendien een koolstofbron
toegevoegd. De precieze reactievergelijking van de denitrificatie is dan
bijvoorbeeld:
6NO3- + 5CH3OH -> 3N2 + 5CO2
+ 7H2O + 6OH-
Omdat een van de processen alleen onder anaërobe condities en het andere
alleen onder aërobe omstandigheden plaatsvindt, sluiten zij elkaar uit.
Daarom moeten in een rioolwaterzuiveringsinstallatie gebieden voor het
ene en voor het andere proces worden ingericht. Als voor deze derde trap
de eerste twee trappen hebben plaatsgevonden, kunnen meer dan 90% van de
stikstof worden verwijderd.
In sommige landen zoals Brazilië worden bijvoorbeeld waterhyacinten in een derde
tap ingezet. Zij kunnen zowel stikstof als fosfor uit water verwijderen.
Goede ervaringen bij de zuivering van kleinere oppervlaktewateren heeft
men met helofytenfilters gemaakt.
Ammoniak kan met het zogenoemde stripproces verwijderd worden. Hierbij
wordt met behulp van lucht of stoom ammoniak uit het afvalwater gehaald,
door het in een gasvormige toestand te brengen.
Andere stikstofverbindingen die normaal in kleinere hoeveelheden
aanwezig zijn, kunnen verschillend goed verwijderd worden. Zo is
bijvoorbeeld NTA onder aërobe omstandigheden in de
rioolwaterzuiveringsinstallatie goed afbreekbaar, terwijl een aantal
soorten van nitroaniline nog aëroob nog anaëroob afgebroken kunnen
worden.
De normale ionische vormen van stikstof, namelijk NO3-,
NO2- en NH4+, maar ook
andere stikstofverbindingen, zoals bijvoorbeeld aminen, kunnen bovendien
met behulp van ionenwisselaars
worden
verwijderd.
De drinkwaternormen van WHO, EU en het Nederlandse
Waterleidingbesluit komen overeen wat betreft de maximale
nitraatconcentratie en noemen een maximale waarde van 50 mg/L. Wat
betreft nitriet zo hanteert de WHO een maximumwaarde van 0,2 mg/L,
terwijl de EU zelfs 0,5 mg/L toestaat. Het Nederlandse beleid is hier
strenger en geeft een maximale nitrietconcentratie van slechts 0,1 mg/L
voor. Ook bij de drinkwaternorm voor ammonium is Nederland strenger dan
de EU. In plaats van 0,5 mg/L zijn slechts 0,2 mg/L toegestaan.
Literatuurverwijzingen
Terug naar het periodiek systeem der
elementen
Terug naar de overzicht van
elementen en water |
|
|
|
|