|
Het gemiddelde chloorgehalte
in zeewater is met ongeveer 20000 ppm (2%) relatief hoog. Maar ook in zoetwater komt
dit element voor. Zo ligt de concentratie in rivierwater over het
algemeen bij ongeveer 8 ppm. In opgeloste toestand komt chloor vooral in
vorm van Cl- voor, maar ook Cl2 (in gechloord
water), HClO, ClO-, ClO2, ClO2-,
ClO3- en ClO4- zijn
mogelijke verschijnselen.
Chloor is een van de reactiefste elementen en reageert dus ook met
water. Het vormt ermee zoutzuur en hypochloriet, wat volgens de
onderstaande reactievergelijking afloopt:
Cl2(g) + H2O(l) <-> OCl-(aq) + 2H+(aq)
+ Cl-(aq)
Het evenwicht van de reactie is onder andere van de pH-waarde van de oplossing
afhankelijk, omdat H+-ionen worden gevormd.
Het chlorideion is duidelijk minder reactief. Ook bijvoorbeeld
de groep van chlooralkyleters is in water normaal heel stabiel.
De oplosbaarheid van chloorgas in water ligt bij ongeveer 6,3 g/L.
Ook chloorzouten gelden als goed oplosbaar in water. Een aantal
voorbeelden voor de oplosbaarheid van chloorverbindingen zijn
chloraalhydraat met 4740 g/L (bij 17oC),
3-amino-2,5-dichloorbenzoezuur met 700 mg/L (bij 25oC),
4-chloraniline met 2,9 g/L (bij 20oC) en 1-chlooretheen met
1,1 mg/L (bij 25oC).
Oplosbaarheid en waardoor deze beïnvloed
kan worden
Chloor is van nature in een aantal mineralen, zoals haliet, sylvien
en carnalliet, te vinden. Het komt in de natuur niet in vrije vorm voor,
maar alleen in verbindingen, vooral als natriumchloride (keukenzout).
Vooral uit haliet wordt keukenzout gewonnen, dat echter ook uit zeewater
geëxtraheerd kan worden. Door het gebruik van strooizout ’s winters op
straat en door menselijke emissies in huishoudelijk afvalwater kan snel
een verhoogde hoeveelheid chloride in water en bodem terechtkomen. Dit
effect wordt ook bijvoorbeeld door de kali-industrie versterkt.
Chloor heeft echter nog een groot aantal andere commerciële
gebruiksdoeleinden. Zo wordt ongeveer 30% van de totale gebruikte
hoeveelheid chloor in de chemische industrie
verwerkt, terwijl ongeveer 25% bij de productie van PVC wordt toegepast.
20% dient de waterbehandeling, circa 15% wordt in oplosmiddelen
toegepast en circa 10% in bleekstoffen. Zo kan niet alleen celstof voor
de papierindustrie, maar ook oud papier met behulp van chloor gebleekt
worden. Inmiddels zijn er echter wel milieuvriendelijkere methoden voor.
Ook voor de productie van medicijnen, siliconen en polymeren wordt het
element gebruikt, alhoewel het eindproduct geen chloor meer bevat.
Bovendien
is chloor bestanddeel van huishoudelijke bleek, verfverwijderaars,
brandbeveiligingsmiddelen en zelfs pesticiden. Heel bekend is het
insecticide en milieugif DDT, maar ook de herbiciden
3-amino-2,5-dichloorbenzoezuur en chloraalhydraat. Hetzelfde geldt voor
chlordan. Ook sommige chloorkoolwaterstofverbindingen dienen als fungiciden en
insecticiden. Voor een deel mogen chloorverbindingen wegens hun
toxiciteit niet voor deze doeleinden worden gebruikt.
Andere bekende en beruchte chloorverbindingen zijn PCB dat bijvoorbeeld
bij de productie van condensatoren en transformatoren toegepast wordt,
CFK’s en HCFK’s die onder anderen als koelmiddel gebruikt werden. Andere
toepassingen voor chloorverbindingen zijn de toevoeging aan verf en
lijm en de productie van ionenwisselaars of zelfs van slaapmiddelen.
Het elementaire chloorgas werd als chemisch wapen gebruikt. Het ontstaat
ook bij toevoeging van zuur aan sanitairreinigers.
Chloriden en andere chloorverbindingen kunnen uit onvoldoende
beveiligde stortplaatsen voor chemisch afval en baggerspecie vrijkomen.
Ook de verbranding van stoffen die chloorverbindingen bevatten, laat
deze vrij in het milieu.
Het aantal chloorverbindingen en hun gebruiksdoeleinden is zo groot dat
deze hier niet allemaal behandeld kunnen worden. Interessant is wel dat
chloor en zijn verbindingen vaak als afvalproducten vrijkomen en daarna
of verloren gaan of als chloororganische verbindingen op de markt
gebracht
kunnen worden. Zo gelden vooral oplosmiddelen, maar ook PVC als goede
mogelijkheid hiervoor.
Het radioactieve 36Cl wordt voor wetenschappelijke onderzoeken
gebruikt.
Chloor is in vorm van chloride voor een groot aantal organismen
essentieel. Dit geldt ook voor hogere planten. Het ion is in de grond
heel mobiel, omdat het niet aan mineralen geadsorbeerd wordt. Daarom
wordt het ook snel uitgespoeld. De chlorideconcentratie in normale
bodems varieert van 50 tot 2000 ppm. De hoogste zoutconcentraties zijn in
gebieden met een laag vochtgehalte in de lucht en in gebieden dichtbij
de zee te vinden.
Planten nemen chloride door de wortels op en bovendien chloorgas door de
bovengrondse plantendelen. In de plant komt het vaak tot een accumulatie
van chloride in het cytoplasma. Het chloorgehalte van planten ligt
meestal bij ongeveer 2000-20000 ppm. Het aandeel hiervan in de
chloroplasten is bijzonder hoog. Een aantal bomen, zoals bijvoorbeeld
platanen of eiken, kunnen relatief hoge zoutconcentraties in de grond
tolereren. Bij te lage concentraties kan het tot
groeistoornissen bij planten komen. Dit gebeurt echter niet heel vaak,
omdat hett pas bij extremen van onder de 2 ppm chloride in de bodem van belang is.
In aquatische processen komt het vaak tot wisselwerkingen tussen
chloride en ijzer, wat bijvoorbeeld bij fotochemische processen het
geval is. Interessant is ook dat natriumchloride in zeezoutpartikels met
stikstofoxiden kan reageren, waarbij chlooratomen worden gevormd die
ozon en broeikasgassen kunnen afbreken.
Alhoewel chloor in het milieu een element van groot belang is, kan het
aan de andere kant ook heel snel grote milieuschade veroorzaken, als het
in andere vormen dan chloride optreedt. Het heeft een groot
verspreidingspotentiaal en geldt bovendien als watergevaarlijk stof. Bij
grotere hoeveelheden kan het ook tot een bedreiging van het drinkwater
komen. Op vissen heeft chloor een giftige werking, waarbij de letale
concentratie waarbij ongeveer 50% van een populatie sterft (LC50),
bij ongeveer 293 ppm ligt. Ook chloorverbindingen kunnen toxisch en
sterk milieugevaarlijk zijn. Zo zijn bijvoorbeeld een aantal LD50-waardes
van chloorverbindingen bekend die aangeven, hoe hoog de dosis is,
waarbij 50% van een populatie sterft. Deze dosis ligt bij een orale
opname van chloraalhydraat door de rat bij 1,1 g/kg, bij dezelfde opname
van 3-amino-2,5-dichloorbenzoezuur bij 5,6 g/kg en van chlooraniline bij
370-420 mg/kg. Chloraalhydraat telt ook bij de watergevaarlijke stoffen.
De LC50-waarde van chlooraniline ligt voor de regenboogforel
bij 14 mg/L binnen 96 uur. De giftigheid van chloorverbindingen kan op
verschillende processen gebaseerd zijn. Zo beïnvloeden sommige
chloorverbindingen het methemoglobine terwijl andere de activiteit van
enzymen afremmen.
De bedreiging van het milieu door andere chloorhoudende stoffen betreft
eerder hun reacties in de atmosfeer. Deze hebben wederom invloed op
water en bodem en bovendien op flora en fauna. Zo kan bijvoorbeeld bij
de verbranding van chloorhoudende substanties zoutzuur in de atmosfeer
terechtkomen en een bijdrage leveren aan de zure regen. Deze kan grond
en planten sterk beschadigen (zie ook
Stikstof en water en Zwavel en water).
Andere problemen ontstaan door het gebruik van CFK’s en HCFK’s die de
ozonlaag aantasten, waardoor de UV-straling op de aarde wordt versterkt.
Dit heeft wederom effect op het leven op de aarde. Ook functioneren zij
als broeikasgassen en leveren op deze manier een bijdrage aan de
klimaatverandering die ook invloed op aquatische ecosystemen heeft.
Sommigen van deze chloorverbindingen horen bij degenen die in organismen
accumuleren en een kankerverwekkende werking hebben.
Vooral de pesticiden DDT en PCB staan bekend voor hun bioaccumulatie en
biomagnificatie. Zij accumuleren niet alleen binnen een organisme, maar
ook binnen een hele voedselketen.
Chloor heeft twee stabiele en acht instabiele, dus radioactieve
isotopen.
In vorm van chloride is chloor ook voor de mens een essentieel
element. Zo ligt het chloorgehalte in het menselijke lichaam bij
ongeveer 1200 ppm. Dagelijks nemen wij circa 3-6,5 g vooral in vorm van
keukenzout op, waarvan slechts rond de 3 g ook worden benodigd. Hiervan
zijn ongeveer 17% uit het voedsel zelf afkomstig, terwijl 40-50% bij het
productieproces en 30-40% door de consument zelf worden toegevoegd.
Ongeveer 3% nemen wij met het drinkwater op.
Chloride geldt als het belangrijkste anion in de extracellulaire
vloeistof, waarbij het invloed op de water-elektrolyt-balans heeft. Als
bestanddeel van zoutzuur is het van belang voor de vorming van maagzuur.
Bij verhoogde inname kan de chloridebalans meestal blijven bestaan,
omdat de overschot met de urine wordt uitgescheiden. Het veroorzaken van
hoge bloeddruk en hartziektes door een te grote consumptie van
keukenzout wordt aan zijn bestanddeel natrium en minder aan het chloride
toegeschreven (zie ook Natrium en water).
Terwijl chloride als stabiel en relatief ongiftig geldt, is chloorgas
heel reactief en kan het snel gevaarlijk worden. Bij de
drinkwaterbereiding uit oppervlaktewater zijn er vaak bedenkingen tegen
het gebruik van chloor, omdat het met de normaal altijd aanwezige
humuszuren trihalomethanen kan vormen die als schadelijk voor de
gezondheid gelden.
Op slijmvliezen vormt chloor actief zuurstof en zoutzuur die het weefsel
aantasten. Bij inhalatie werkt het gas als een sterk longgif dat zelfs
longbloedingen kan veroorzaken. Lucht met een concentratie van 500 ppm geïnhaleerd
voor vijf minuten kan dodelijk zijn. Interessant is aan de andere kant
ook dat witte bloedcellen het element kunnen gebruiken om het lichaam
voor infectieziektes te beschermen. Toxische effecten van
chloorverbindingen treden vooral bij geoxideerde vormen zoals
bijvoorbeeld chloraten op. Ook chloraalhydraat is een voorbeeld voor een
giftige chloorverbinding, waarbij ongeveer 10-15 g hiervan dodelijk
zijn. Het heeft bovendien, zoals ook een aantal andere verbindingen van
chloor, een mutagene en carcinogene werking.
Onder anderen DDT kan bovendien in het lichaam accumuleren. Zijn acute
toxiciteit uit zich in angstgevoelens, duizeligheid, hoofdpijn,
verwardheid en evenwichtsstoornissen, eventueel zelfs coma.
Chloor oftewel chloride is normaal in alle soorten afvalwater te
vinden. Terwijl de concentratie van het element in drinkwater bij
slechts 30 mg/L ligt, kunnen dit in huishoudelijk afvalwater al 120 mg/L
zijn. Afvalwater van slachthuizen bevat ongeveer 1 g/L en hetgeen uit de
visverwerking zelfs rond 24 g/l.
Mogelijkheden om chloor en zijn verbindingen uit water te verwijderen bieden
ionenwisselaars en
omgekeerde osmose, eventueel in combinatie
met elektrodialyse. Ook
actief kool
kan in sommige gevallen worden toegepast, oftewel het gebruik van
zwaveldioxide of andere reducerende zwavelverbindingen.
De verwijdering van chloor door natuurlijke micro-organismen duurt
relatief lang en is niet altijd kompleet. In 1997 werd echter een
bacteriesoort ontdekt die hiertoe wel in staat is.
Ook chloor zelf kan voor de waterbehandeling
en vooral desinfectie worden gebruikt. De werking van het element is
gebaseerd op volgende reactievergelijking:
Cl2 + H2O -> 2H+ + 2Cl- + O
De hierbij uit het onderchlorig zuur vrijkomende zuurstof kan
verontreinigingen oxideren. Bij pH-waardes lager dan 6 ligt het chloor in
moleculaire vorm voor, terwijl bij een pH-waarde boven de 10 de vorm van
het hypochlorideion gebruikelijker is. Dit is duidelijk minder
effectief. Ligt de pH-waarde tussen de 5 en de 10, zo zijn beide vormen
aanwezig (HOCl <-> H+ + OCl-).
Deze methode is heel goedkoop, maar hij kan tot een ongewenste verlaging
van de pH-waarde en een verhoging van het chloridegehalte leiden. Ook
ongewenste nevenproducten kunnen gevormd worden. Positief is dat chloor
in het water verblijft en nog enkele tijd nawerkt, in tegenoverstelling
tot de desinfectie met behulp van ozon. Beide
methoden kunnen echter wel gecombineerd worden.
Naast chloorgas kunnen ook vaste en vloeibare chloorverbindingen bij de
desinfectie worden toegepast. Deze zijn vaak makkelijker te gebruiken en
minder gevaarlijk voor de omgeving. De kosten zijn meestal wel hoger.
Een sterkere desinfectie met minder nevenproducten kan door het gebruik
van chloordioxide bereikt worden. Dit is
minder reactief, wat het verbruik en de kans op vorming van
kankerverwekkende trihalomethanen vermindert. Bovendien heeft men minder
last van de typische chloorgeur.
Chloor kan naast het doden van ziekteverwekkers ook organische
verbindingen oxideren. Daarom wordt in het begin bij een stijgende
toevoeging van chloor de chloorconcentratie in het water lager. Bij een
verdere toevoeging stijgt deze echter wel proportioneel. Een effectieve
waterbehandeling met chloor moet daarom net boven deze buigpunt
gedoseerd worden.
Terwijl de drinkwaternormen van WHO en EU een maximaal
chloridegehalte van 250 mg/l voorgeven, zijn volgens het Nederlandse
Waterleidingbesluit slechts 150 mg/l toegestaan.
Literatuurverwijzingen
Terug naar het periodiek systeem der
elementen
Terug naar de overzicht van
elementen en water |
|
|
|
|