|
Het aluminiumgehalte
van zeewater varieert heel sterk van ongeveer 0,013-5 ppb. De
Atlantische Oceaan bevat bovendien veel meer aluminium dan de Grote
Oceaan. Rivierwater heeft over het algemeen een aluminiumconcentratie
van 400 ppb.
Opgelost in natuurlijke wateren komt aluminium onder zure condities vooral
voor als Al3+(aq) en onder neutrale of alkalische condities
vooral als Al(OH)4- (aq). Bovendien zijn er nog de
vormen AlOH2+(aq) en Al(OH)3(aq).
Aluminiummetaal vormt aan zijn oppervlak snel een micrometerdikke laag
aluminiumoxide die voor de reactie met water beschermt. Is deze laag
aangetast treedt een reactie op waarbij hoogontvlambaar waterstofgas
wordt vrijkomt.
Aluminiumchloride werkt in water hydrolyserend en vormt aan de lucht
nevel, omdat bij de reactie met waterdamp zoutzuurdruppeltjes ontstaan.
Ook aluminiumionen van andere verbindingen reageren in vorm van een
hydrolyse die door kan gaan tot het kation geen lading meer heeft en ten
slotte in de vorming van onoplosbaar hydroxide eindigt. Het begin van
een dergelijke hydrolyse ziet eruit als volgt:
Al3+(aq) + 6H2O(l) <-> [Al(H2O)6]3+
(aq) etc.
De in de natuur meest voorkomende aluminiumverbindingen, aluminiumoxide
en aluminiumhydroxide, zijn onoplosbaar in water.
Aluminiumoxide kan trouwens wel in water zowel als base (2Al2O3(s)
+ 6H+(aq) -> Al3+(aq) + 3H2O(l)), als
als zuur (2Al2O3(s) + 2OH-(aq) -> AlO2-(aq)
+ H2O (l)) functioneren.
Een voorbeeld voor een in water oplosbare verbinding is aluminiumsulfaat
met een oplosbaarheid van 370 g/L.
Oplosbaarheid en waardoor deze beïnvloed
kan worden
Aluminium komt in de natuur bij de verwering van mineralen, zoals de
veldspaten orthoklaas, anorthiet of albiet, mica’s en bauxiet vrij en
komt zo onder andere in kleimineralen terecht. Ook in een aantal
edelstenen, zoals robijn of saffier, onzuivere vormen van korund, komt
dit element voor.
Inmiddels wordt alleen nog ijzer en staal in grotere hoeveelheden
geproduceerd dan aluminium. Bovendien wordt een groot deel van het
aluminium gerecycled, wat makkelijk mogelijk is. Het wordt bijvoorbeeld
voor kozijnen, deurknoppen, autocarrosserieën, vliegtuigonderdelen (de
verhouding van gewicht en sterkte is heel gunstig), motoren, kabels of
blikken gebruikt. Omdat het een goede reflector is, wordt het in
zonnespiegels en warmtereflecterende dekens toegepast. Aluminium wordt zo
verwerkt tot blik, bedrading en legeringen.
Aluminiumzouten worden vaak toegevoegd aan water om neerslagreacties op
te starten en op deze manier bijvoorbeeld fosfaat te verwijderen. Daarom
is het in slib van waterzuiveringsinstallaties met een pH-waarde van
6,8-7,3 als hydroxide te vinden.
Aluin wordt als meststof op theeplantages toegepast. Andere
aluminiumverbindingen zijn heel nuttig bij de productie van papier.
Legeringen zoals duraluminium worden gebruikt, omdat zij veel sterker zijn
dan aluminium zelf. Aluminiumschuim wordt in verkeerstunnels als
geluidsbescherming toegepast.
Andere voorbeelden voor het gebruik van aluminiumverbindingen is het
gebruik van aluminiumchloride voor crackingprocessen, van aluminiumoxide
als schuurmiddel of voor de productie van vuurvaste voorwerpen, van
aluminiumsulfaat als basisstof voor papierlijm, looistoffen, beitsen en
vulstof voor synthetisch rubber en aluminiumwaterstof als reductie- en
hydreringsmiddel.
Aluminium is ook als aërosol, vooral in de bovenlagen van de oceanen, in
het water te vinden. Dit gebeurt, doordat aluminiumhoudend stof in het
water terechtkomt. De deeltjes worden vooral van het land via
atmosferisch transport of direct afvloeien in het water geleid.
Over het algemeen stijgt het totale aluminiumgehalte met toenemende
diepte van het water.
Aluminium heeft een aantal negatieve effecten op het leven op het land
en in het water. De normale aluminiumconcentratie in het bodemwater ligt
bij ongeveer 0,4 ppm, omdat het in de grond als onoplosbaar hydroxide
aanwezig is. Bij een pH-waarde van lager dan 4,5 neemt de oplosbaarheid
sterk toe, waarbij de aluminiumconcentratie op meer dan 5 ppm kan
stijgen. Dit is wederom ook bij heel hoge pH-waardes het geval.
Opgeloste Al3+-ionen zijn giftig voor planten, omdat zij
wortelbeschadigingen veroorzaken en de fosfaatopname verlagen. Zoals
boven beschreven gaan zij in oplossing, als de bodem te zuur is. Daarom
bestaat er ook een samenhang tussen bijvoorbeeld zure regen en de
aluminiumconcentratie in de grond. Bij toenemende
nitraatdepositie neem het aluminiumgehalte toe, terwijl het bij een
groot oppervlak heide en landbouw afneemt. Bij meer bosoppervlak stijgt
het wederom.
Hoewel aluminium voor planten niet essentieel is, heeft het bij sommige
soorten een positieve invloed op de groei. Ook wordt het van alle
planten opgenomen, omdat het ver verspreid is in de grond. Grassoorten
kunnen aluminium zelfs tot een concentratie van meer dan 1% (drogestofgehalte)
accumuleren.
Door zure regen worden mineralen in de grond in oplossing gebracht en
voor een deel in het water gespoeld. Op deze manier stijgt ook het
aluminiumgehalte van rivieren en meren.
Ook al zijn lagere aluminiumconcentraties een natuurlijk bestanddeel van
wateren, is bekend dat hogere concentraties, bijvoorbeeld uit afval van
de mijnbouw, schadelijke effecten op alle aquatische biocenoses heeft.
Het geldt als vistoxisch in zure, ongebufferde wateren vanaf een gehalte
van 0,1 mg/L. Bij gelijktijdig elektrolyttekort wordt de
kieuwpermeabiliteit beïnvloed en de oppervlakkige kieuwcellen worden
beschadigd. De toxiciteit van aluminium voor vissen is vooral bij pH-waardes
van 5,0-5,5 aanwezig. De aluminiumionen zetten zich op de kieuwen af,
verstoppen deze met slijm en beperken op deze manier de ademhaling.
Als de pH-waarde sterk daalt, nemen de aluminiumionen invloed op de
regulering van de kieuwpermeabiliteit door calcium. Dit heeft bovendien
een verhoogd natriumverlies als gevolg. Calcium en aluminium werken vaak
antagonistisch, maar ook door calcium kan een ernstig verlies van
elektrolyten niet verhinderd worden. Dit betreft vooral jongdieren. Een
aluminiumconcentratie van 1,5 mg/L bleek fataal te zijn voor de forel.
Ook de groei van in zoetwater levende beenvisachtige dieren wordt door
de aanwezigheid van dit element beïnvloed.
Fytoplankton bevat circa 40-400 ppm aluminium (drogestofgehalte),
waaruit een bioconcentratiefactor van ongeveer 104-105
tegenover zeewater geconcludeerd kan worden.
Wat betreft landorganismen, zo bevatten muggenlarven ongeveer 7-33 ppm
en springstaarten 36-424 ppm aluminium (drogestofgehalte). pH-waarde en
aluminiumgehalte beïnvloeden gezamenlijk de sterfelijkheid van larven.
Wat betreft de toxiciteit van aluminiumverbindingen, zijn een aantal LD50-waardes
voor ratten bekend die de dosis van een stof aangeven, waarbij de helft van een populatie
sterft. Bij een orale inname van
aluminiumchloride ligt deze waarde bij 420 mg/kg en bij aluminiumnitraat nonahydraat bij 3671 mg/kg. De toxische werking resulteert o.a. uit de
belemmering van verschillende enzymen.
Van nature bestaat alleen een enkel aluminiumisotoop dat niet
radioactief is. Verder zijn er nog acht instabiele isotopen.
De totale concentratie aluminium in het menselijke lichaam ligt bij
ongeveer 9 ppm (drogestofgehalte). In enkele organen, vooral milt,
nieren en long, kunnen zelfs concentraties tot 100 ppm (vochtige
stofgehalte) optreden. Dagelijks neemt de mens ongeveer 5 mg aluminium
in, waarvan echter slechts een klein gedeelte geabsorbeerd wordt.
Hierdoor is de acute toxiciteit vrij laag. Het gaat om een absorptie van
circa 10 μg per dag. In deze gebruikelijke hoeveelheid geldt aluminium
als ongevaarlijk voor de mens. Waarschijnlijk kan silicium de
aluminiumopname verminderen. Is het element echter een keer opgenomen in
het lichaam, kan het nog maar moeilijk worden verwijderd.
Grotere hoeveelheden aluminium hebben wel effecten op de gezondheid. Zo
wordt er een samenhang gezien met neuronale beschadigingen. Vooral
personen met nierschade zijn gevoelig voor de giftigheid van aluminium.
Bovendien bestaat een allergierisico. Aluminium werkt vermoedelijk nog
mutageen nog kankerverwekkend. Er wordt wel een samenhang met een
verhoogd risico op de ziekte van Alzheimer vermoed. Omdat de
aluminiumconcentratie in de hersenen met toenemende leeftijd echter
altijd stijgt, is ook dit onzeker. Ook de kans op rachitis bij een
verhoogde aluminiumconcentratie in het lichaam schijnt te bestaan.
De hoofdbelasting van het lichaam met aluminium is afkomstig van voeding
en drinkwater. Normen die voor het laatst genoemde gebruikelijk zijn,
liggen tussen de 50 en 200 μg/L. Aluminiumstof kan functiestoornissen
van de long veroorzaken.
Ziekten die door een aluminiumtekort ontstaan, zijn niet bekend.
Verder kan zich aluminiumchloride invreten in de huid, slijmvliezen
irriteren en plotselinge sterke transpiratie, ademnood of hoesten
veroorzaken. Aluin heeft een bloedstillende werking.
Aluminium kan met behulp van
ionenwisselaars of
coagulatie
en/of flotatie uit
water verwijderd worden.
Ook aluminiumzouten zelf worden in de waterbehandeling graag voor
neerslagreacties gebruikt. Zo bereikt men met het toevoegen van
aluminiumsulfaat en kalk aan afvalwater dat aluminiumhydroxide gevormd
wordt, dat verontreinigingen laat bezinken. Het hydroxide zelf is zo
slecht oplosbaar dat er slechts 0,05 ppm opgelost aluminium achterblijven.
Dit ligt onder de grenswaarde van de wereldgezondheidsorganisatie (WHO)
van maximaal 0,2 ppm aluminium in drinkwater. De drinkwaternormen van
EU en Nederland geven een maximale aluminiumconcentratie van 0,2 mg/L
voor.
Literatuurverwijzingen
Terug naar het periodiek systeem der
elementen
Terug naar de overzicht van
elementen en water |
|
|
|
|