Duurzaamheid is een begrip dat gerelateerd is aan (milieu)effecten
op de lange termijn. Het begrip kan op verscheidene manieren worden
geïnterpreteerd. Dit heeft door de jaren heen tot de huidige gangbare
definitie(s) geleidt. Het is een van de redenen voor de internationale
acceptatie van duurzaamheid.
Duurzaamheid heeft gevolgen voor zowel waterbeheer als waterbeleid. Een
van de vragen die daarbij wordt gesteld is welke invloed economische
groei heeft op milieueffecten, bijvoorbeeld van waterverontreiniging.
Kuznets heeft daarover een theorie ontwikkeld.
Dit hoofdstuk behandelt duurzaam waterbeheer en de theorie van Kuznets.
Tevens wordt een theorie over de invloed van watergebruik op de
economische ontwikkeling van een land beschreven. Verder wordt in een
kostenbaten analyse het verschil behandeld tussen een bedrijf dat wel
investeert in schone technologie op het gebied van water en een bedrijf
dat deze investeringen niet maakt. Hierbij wordt de nadruk gelegd op het
effect van de discount rate in een kostenbaten analyse op duurzaam
waterbeleid.
Duurzaamheid en waterbeheer
Duurzaamheid is een begrip dat al wordt aangewend sinds in 1972 het Club
van Rome rapport “The Limits To Growth” werd gepubliceerd. Een van de
conclusies in het rapport is dat onder andere bevolkingsgroei,
industrialisatie en verontreiniging kunnen worden verminderd, waardoor
een duurzame vorm van ecologische stabiliteit kan worden bereikt. In dit
rapport wordt duurzaamheid echter als begrip nog niet direct
gedefinieerd (Pestel, 1978).
Het begrip duurzaamheid werd op de politieke agenda geplaatst door het
in 1987 verschenen rapport “Our Common Future”, of het Brundtland
rapport waarin de term werd gedefinieerd als:
“voldoen aan de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij af
te doen aan het vermogen van toekomstige generaties om in hun behoeften
te voorzien.”
Het Brundtland rapport is vernoemd naar Gro Harlem Brundtland, de
directrice van de World Commission on Environment and Development (WCED)
van de Verenigde Naties. Het gaf erkenning aan de term duurzaamheid,
doordat het rapport is verschenen tijdens de derde milieugolf, welke
midden jaren ’80 begon. Duurzaamheid kreeg rond die tijd tevens
internationale erkenning (Perman et. al., 2003).
Milieu en ontwikkeling worden in het rapport gezamenlijk behandeld.
Volgens het rapport stelt het milieu grenzen aan de toekomstige
economische groei. Dit wil echter niet zeggen dat de economische groei
gestaakt moet worden. Vooral in ontwikkelingslanden is groei nog steeds
van belang. Duurzame economische groei kan worden gerealiseerd door het
gebruik van materialen en energie efficiënter te maken. Toekomstige
generaties zullen ook de mogelijkheid moeten hebben gebruikt te maken
van natuurlijke bronnen en recreatieve mogelijkheden (de zogeheten
‘amenity values’) (Cunningham, 2004).
Het concept duurzaamheid vond weinig weerstand, omdat het als begrip
weinig politieke lading had en omdat het op verschillende manieren kon
worden geïnterpreteerd door economen en ecologen. Volgens economen is
het van belang dat toekomstige generaties hetzelfde consumptieniveau
hebben als de huidige generatie. Dat betekend echter niet dat op alle
delen van de wereld eenzelfde consumptieniveau als in Europa moet worden
gerealiseerd.
Wel betekent dit dat het niveau van gezondheid en veiligheid, de
politieke stabiliteit en de kwaliteit van het leven moet worden
verbreedt.
Gezondheid heeft niet per definitie te maken met het exploitatieniveau
van natuurlijke bronnen dat momenteel in Europa plaatsvindt. Ecologen
leggen bij duurzaamheid meer de nadruk op het intact houden van deze
natuurlijke bronnen.
Nadat duurzaamheid als begrip was geïntroduceerd begon men duurzame
ontwikkeling na te streven. Duurzame ontwikkeling moet worden
nagestreefd op de lange termijn, niet slechts voor enkele jaren. Het
moet beschikbaar zijn voor alle mensen, niet slechts voor een selecte
groep (Cunningham, 2004; Perman et. al., 2003).
Door het nastreven van duurzame ontwikkeling werd het milieubeheer, en
daarmee tevens het waterbeheer, wettelijk vastgelegd. Er kwam meer
aandacht voor lange termijn effecten van interventies en voor mondiale
milieuvraagstukken. Daarnaast werden de economische en sociale kanten
van de milieuvraagstukken op de agenda geplaatst (Perman et. al., 2003).
Het afgelopen decennium is het begrip ‘duurzaam waterbeheer’ ontstaan
als voortvloeisel uit duurzame ontwikkeling. Hiermee wordt bedoeld het
winnen, gebruiken en retourneren van water onder voorwaarden. De
voorwaarden zijn onder andere dat de natuurlijke voorziening van water
niet mag worden overschreden en dat de kwaliteit van water niet mag
worden aangetast bij lozing. Water moet zo efficiënt mogelijk worden
gebruikt. Dat wil zeggen dat onttrekking geen verdroging mag veroorzaken
en lozing geen verontreiniging.
In de jaren ’80, nadat het Brundtland rapport was verschenen, werden
veel internationale projecten opgezet. Omdat deze vaak onhaalbaar bleken
werd de afgelopen 15 jaar meer aandacht besteed aan nationaal
waterbeheer. De voordelen hiervan zijn dat de effecten beter zijn te
monitoren en het beter is te financieren. Duurzaam waterbeheer wordt
echter wel nog steeds besproken in internationale conferenties, onder
andere de Monitoring Tailor Trade conferentie in september 2003. Hier
werden strategieën en werkwijzen besproken voor het verzamelen en
analyseren van informatie ten behoeve van duurzaam waterbeheer (Stichting
Deltawerken, 2004; Ruiter en Timmerman, 2004).
In Nederland is de eerder beschreven Kaderrichtlijn Water (KRW) een
belangrijk instrument voor de realisatie van duurzaam waterbeheer (zie
hoofdstuk 1). De Nederlandse overheid probeert onder andere de vraag
naar water te beïnvloeden, lekkage in het distributiesysteem te
verminderen en het (her)gebruik van regenwater te stimuleren. Op dit
moment worden tevens projecten gefinancierd die het water meer ruimte
moeten geven (RIZA, 2003).
De Environmental Kuznets Curve en het milieubeleid
Verscheidene milieu- en ontwikkelingseconomen hebben het bestaan van een
Environmental Kuznets Curve (EKC, vernoemd naar Kuznets) onderkend. De
EKC is een grafiek waarin de milieudruk is uitgezet tegen het inkomen
per hoofd van de bevolking.
De theorie van de EKC suggereert dat met een stijgend inkomen in een
land eerst de milieudruk zal stijgen, waarna vervolgens de
milieukwaliteit verbeterd. Dit resulteert in een omgekeerde U-vormige
curve voor milieudruk (fig. 2).
Figuur 2 toont aan dat in de beginstadia van economische groei in een
land eerst de milieudruk zal toenemen doordat mensen meer gebruik van
(milieu-) goederen en diensten gaan maken. De consumptie neemt toe.
Wanneer echter een bepaalde hogere levensstandaard is bereikt, wordt
meer nadruk gelegd op de kwaliteit van het milieu. Dit resulteert
vervolgens in milieubeleid (institutionalisatie). Hierdoor zou volgens
de theorie de milieudruk weer af gaan nemen. Dit is te zien in de figuur
bij het “turning point” (keerpunt).
Dit keerpunt is afhankelijk van het milieuprobleem en het land waarin
dit zich voordoet (Dasgupta et. al., 2001; Perman et. al., 2003).

Figuur 2: de Environmental Kuznets
Curve (EKC)
Wanneer er daadwerkelijk een correlatie
bestaat, betekent dit dat bij hogere economische groei het economische
en politieke beleid van een land meer op milieu gericht zal worden,
omdat daar vanuit sociale kringen op wordt aangestuurd. Met andere
woorden; economische groei zou dan een middel zijn voor verbetering van
de milieukwaliteit. Dit resulteert in een stimulatie van de economische
groei. Ook het ontwikkelingsbeleid van ontwikkelingslanden zal zich dan
richten op het stimuleren van de economische groei in die landen, zodat
de milieudruk daar tevens zal gaan afnemen door institutionalisatie,
nadat het keerpunt in de curve is bereikt door inkomensgroei.
Dit betekent echter wel dat het milieu blijvend wordt verontreinigd,
omdat men ervan uit gaat dat door economische groei investeringen worden
gedaan in de verbetering van het milieu. Daadoor zouden de
milieuproblemen op den duur automatisch worden opgelost. Er zijn echter
milieuproblemen die niet direct door milieu-investeringen zijn op te
lossen, bijvoorbeeld boskap of bodemverontreiniging. Ook de uitstoot van
broeikasgassen is een voorbeeld. Dit is een ontwikkeling die grotendeels
nog onbekende lange termijn problematiek met zich meebrengt. De genoemde
milieuproblemen zouden eigenlijk door middel van milieubeleid aangepakt
moeten worden. Wanneer dit niet wordt gedaan, omdat er men ervan uit
gaat dat milieu-investeringen voldoende zijn om de milieuproblemen terug
te dringen, levert dit problemen op voor toekomstige generaties (Connely
et. al., 2003).
Onderzoeken die de hypothese getest hebben, hebben uitgewezen dat deze
geldig is voor sommige milieuproblemen, maar lang niet voor allemaal
(fig. 3). Statistische analyse met behulp van gegevens uit
ontwikkelingslanden geeft aan dat er milieuproblemen zijn die alleen
beter worden naarmate er meer economische groei plaatsvindt. Een
voorbeeld is de beschikbaarheid van veilig drinkwater. Tevens zijn er
milieuproblemen waarvan de curve meer en meer stijgt bij groei van het
inkomen, onder andere emissies van broeikasgassen (CO2, CH4).
Toch zijn er milieuproblemen die een EKC hebben welke de omgekeerde U-vorm
aanneemt (fig. 2). Voorbeelden zijn luchtverontreinigingen in stedelijke
gebieden (SO2) en verschillende verontreinigingen in rivieren (Dasgupta
et. al., 2001).
 
Figuur 3: alternatieven van de EKC
De EKC geeft aan dat economische groei
kan leiden tot verbetering van de milieukwaliteit voor sommige milieu-indicatoren.
Dit betekent echter niet dat economische groei alleen voldoende is om
een afdoende milieukwaliteit te realiseren. De milieueffecten van
economische groei mogen niet worden ontkend. Natuurlijke hulpbronnen
zijn niet onuitputtelijk en daardoor niet in staat ongelimiteerde
economische groei te bekrachtigen. Wanneer natuurlijke hulpbronnen
ongelimiteerd zouden worden geëxploiteerd, zal dat op de lange termijn
ook weer een negatief effect hebben op de economische groei en daarmee
voor toekomstige generaties. Hiermee is daarom geen duurzame
ontwikkeling te bewerkstelligen.
Een argument hiervoor is dat de EKC niet van toepassing is voor de
algemene milieukwaliteit, hoewel dit door enkele economen wel wordt
beweerd.
De EKC blijkt vooral van toepassing te zijn voor lokale, korte termijn
verontreinigingen, bijvoorbeeld verzurende stoffen zoals SO2. Voor
verontreinigingen welke problemen op de lange termijn en op
internationaal niveau veroorzaken is de curve niet van toepassing (fig.
3). Een voorbeeld hiervan is het broeikasgas CO2. De Kuznets curve houdt
ook geen stand voor de gevolgen van aantasting van voorraden van
natuurlijke hulpbronnen, zoals de bodem, bossen en andere ecosystemen.
Deze milieuschade is vaak onomkeerbaar.
In de EKC zijn effecten van beleidsmaatregelen op de bestrijding van
emissies niet meegenomen. De bestrijding van verontreiniging kan
gevolgen hebben voor aanwezige concentraties van andere
verontreinigingen en voor andere landen. Dit geldt vooral voor (lucht)verontreinigingen
welke grensoverschrijdend zijn. Het milieubeleid is minder effectief
wanneer emissies gevolgen hebben voor andere (armere) landen, of voor
een volgende generatie. Dit veroorzaakt grote verschillen in de invloed
van toenemende economische activiteit op de milieukwaliteit, met wederom
het gevolg dat de EKC niet altijd geldig is (Arrow et. al., 1995).
Economische ontwikkeling en watergebruik
Volgens verscheidene scenario’s zal
waterschaarste toenemen als gevolg van toenemend watergebruik door
verschillende economische sectoren. (Vörösmarty et. al., 2000) Men
vreest dan ook dat er uiteindelijk een ‘water crisis’ zal uitbreken,
welke het inkomen per hoofd van de bevolking van landen zal kunnen
verminderen. Dit wil dus zeggen dat de economische groei afneemt als
gevolg van waterschaarste door overmatig watergebruik.
Voor de meeste landen leidt het huidige watergebruik (nog) niet tot een
afname van de economische groei. Van een aantal landen wordt echter wel
beweerd dat een tekort aan zoet water de economische groei negatief kan
gaan beïnvloeden.
Wanneer water wordt gezien als een publiek goed dat door de overheid
verdeeld wordt, is het de taak van de overheid om waterschaarste te
bestrijden. Of water inderdaad als publiek goed kan worden gedefinieerd,
wordt besproken in hoofdstuk 3. De consumptie per hoofd van de bevolking
daalt wanneer de overheid meer moet uitgeven om een land van water te
voorzien, daarom beïnvloed de waterschaarste de economische groei.
Wanneer watergebruik in een economie wordt bepaald door de
beschikbaarheid van water, kan de invloed van watergebruik op
economische groei verschillen voor een economie met en een economie
zonder waterschaarste.
In een land waar geen sprake is van waterschaarste groeien (water)consumptie
en kapitaal per hoofd van de bevolking met dezelfde snelheid. Een
sociaal efficiënt niveau van watergebruik maximaliseert daarom de
economische groei.
Volgens Barbier (2004) is er een relatie tussen economische ontwikkeling
en watergebruik, in de vorm van een omgekeerde U (fig. 4). In een
grafiek waarin watergebruik en economische groei tegen elkaar worden
uitgezet, is er een bepaald hoogste punt, waarin zowel het watergebruik
als de economische groei het maximum bereiken (ρ* en g*). Aan beide
kanten van dit maximum daalt de grafiek, omdat het watergebruik toe- of
af kan nemen. Links van het hoogste punt kan watergebruik nog toenemen
tot het sociaal efficiënte niveau is bereikt. Rechts van het maximum is
het watergebruik hoger dan het sociaal efficiënte niveau, en zullen (beleids)maatregelen
het watergebruik terug moeten dringen. In de meeste landen, zelfs de
landen waar geen waterschaarste optreedt, is het huidige beleid voor
watergebruik niet zodanig dat het sociaal efficiënte niveau wordt
bereikt.

Figuur 4: de U-vormige curve van
watergebruik (ρ) en economische groei(g) in een land
In een economie waar sprake is van
waterschaarste treedt economische groei alleen op als de stijging van de
marginale productiviteit van het kapitaal hoger is dan de kosten van
middelen om een land van water te voorzien. Bovendien moeten er
voldoende alternatieven voor waterwinning aanwezig zijn. Wanneer dit het
geval is, zal de omgekeerde U-vormige curve waarschijnlijk ook voor deze
landen gelden. De landen bevinden zich dan op de stijgende helft van de
curve, waardoor het watergebruik nog toe kan nemen. De landen waar geen
sprake is van waterschaarste, bevinden zich op de dalende helft van de
curve. Water wordt in deze landen gebruikt voor verscheidene doeleinden,
bijvoorbeeld voor irrigatie in de landbouw, als (koel)water voor de
industrie en voor algemene consumptie. Wanneer het watergebruik hoger is
dan het sociaal efficiënte niveau zal meer watergebruik voor één doel,
leiden tot een verminderde hoeveelheid beschikbaar water voor een ander
doel. Het overmatige gebruik van water in deze landen is daarom
inefficiënt.
Barbier (2004) gebruikt drie modellen om de hypothese van de omgekeerde
U-vormige grafiek te toetsen. De resultaten hiervan geven aan dat de
hypothese niet te verwerpen is.
De resultaten tonen ook aan dat in veel landen watergebruik geen
beperkende factor is voor de economische groei. Voor een aantal landen
kan het watergebruik nog toenemen, binnen bepaalde grenzen. Wanneer de
groei te ver doorneemt is dit niet duurzaam.
Aan de toetsing zijn enkele beperkingen gesteld. De toetsing is gedaan
voor verschillende landen. Daarbij is weggelaten dat waterschaarste een
groter effect kan hebben in bepaalde regio’s of voor bepaalde
economische sectoren in een land. Bepaalde bronnen welke
grenzenoverschrijdend zijn vormen een bemoeilijking voor de analyse. In
de analyse is het effect van de vermindering van hydrologische functies
van ecosystemen op toekomstig watergebruik niet meegenomen.
Een hypothese welke in de analyse nog niet afdoende bewezen is, is dat
economische groei meer wordt beïnvloed in landen met langdurige
waterschaarste. Dit wil zeggen landen waarin minder dan 500 kubieke
meter water per persoon per jaar beschikbaar is. Ook voor deze landen
blijkt de hypothese van de omgekeerde U-vormige curve niet te kunnen
worden verworpen (Barbier, 2004).
Wanneer de door Barbier geïntroduceerde relatie tussen watergebruik en
economische groei bestaat, zullen landen trachten hun watergebruik op
een sociaal efficiënt niveau te brengen. Daardoor kan de economische
groei worden gemaximaliseerd. Wanneer het watergebruik onder het sociaal
efficiënte niveau is, zal de overheid meer gebruik van water stimuleren.
Wanneer teveel water wordt gebruikt, zal het waterbeleid zich richten op
de vermindering van watergebruik, vooral door bedrijven.
Water is, zoals eerder werd vermeld, een publiek goed dat hoofdzakelijk
door de overheid wordt beheerd. Wanneer de hypothese van Barbier waar
is, zal een sociaal efficiënt niveau van watergebruik de economische
groei van een land maximaliseren. Redenerend vanuit deze stelling zal
privatisering plaats gaan vinden en zullen markten voor water worden
gecreëerd. Dit zou mogelijk een meer efficiënt watergebruik kunnen
garanderen dan het water te blijven gebruiken als een puur publiek goed
(Barbier, 2004; Perman, 2003).
Kostenbaten analyse voor afvalwater in India
In veel steden in India veroorzaakt de industrie grondwater
verontreinigingen door het dumpen van afvalwater. Dit heeft economische
gevolgen door de invloeden op milieu en gezondheid. De wetgeving om deze
gevolgen in te perken ontbreekt.
Voor een Indiaas bedrijf kan met behulp van een kostenbaten analyse
worden bepaald, of er al dan niet in een afvalwaterzuivering moet worden
wordt geïnvesteerd. Wanneer geen investering plaatsvindt, moet
milieubelasting worden betaald aan de overheid voor de lozing van het
afvalwater.
Het bedrijf start in 2005. Het verloop van de kosten en baten van het
bedrijf en de winsten bij gebruik van een waterzuivering en bij gebruik
van belasting als instrument zijn weergegeven in bijlage 1. In de
bijlage zijn de milieu-uitgaven weergeven voor het bedrijf, voor zowel
de situatie dat een waterzuivering wordt aangeschaft, als wanneer het
bedrijf besluit belasting te betalen en de resulterende winsten.
Wanneer de waterzuivering wordt aangeschaft door het bedrijf zal in het
eerste jaar de winst negatief zijn. Echter, op de langere termijn worden
kosten bespaard ten opzichte van de belasting. Dit levert al vanaf 2006
een hogere winst op.
Ook voor de overheid is dit gunstiger, omdat in geval van het betalen
van belasting het lozingsprobleem niet wordt opgelost. Het grondwater
wordt in dat geval verder verontreinigd.
Voor het Indiase bedrijf zijn twee verschillende discount rates
voorgesteld, namelijk 5% en 2%. Door middel van bepaling van de Net
Present Value (NPV) kan worden nagegaan welk instrument het gunstigste
resultaat geeft voor de verschillende discount rates.
De totale NPV’s van het bedrijf voor 20 jaar zijn:
|
Bij i = 0,05 |
Bij i = 0,02 |
|
NPVwazu = € 36.013,55 |
NPVwazu = € 53.855,18 |
|
NPVbelasting = € 37.042,54 |
NPVbelasting = € 53.065,03 |
Bij een discount rate van 5% zal in dit
geval gekozen worden voor de belasting, omdat deze een hogere NPV geeft.
Wanneer de discount rate 2% is zal worden gekozen voor de aanleg van een
waterzuivering. Aan deze resultaten is af te leiden dat de discount rate
die wordt gebruikt bepaald, welk instrument gekozen zal worden.
De waarde van de discount rate die wordt gekozen heeft grote invloed op
de NPV. Bij een hogere discount rate (5%), is de invloed van toekomstige
opbrengsten en kosten op de huidige waarde minder. Daardoor scoort de
minder duurzame oplossing hoger bij een hogere discount rate.
Een discount rate is strijdig met het beginsel dat milieubeleid duurzaam
zou moeten zijn, wanneer een te hoge discount rate wordt gekozen. Bij
een lagere discount rate wordt zoals blijkt eerder gekozen voor de meest
duurzame oplossing van een milieuprobleem dat door een bedrijf wordt
veroorzaakt. Wanneer de discount rate te hoog is, kiest een bedrijf
eerder voor het betalen van een compensatie voor de verontreiniging die
zij veroorzaakt, dan voor een preventieve maatregel. Dit is niet
duurzaam, omdat er dan niets aan de eigenlijke verontreiniging verandert.
De verontreiniging zal daardoor ook in de toekomst gevolgen hebben voor
de omgeving en voor de gezondheid van mensen.
Resultaten van de kostenbaten
analyse
|
jaar |
kosten |
baten |
|
wazu kosten |
winst |
NPV (i=0,05) |
NPV (i=0,02) |
|
belasting |
winst |
NPV (i=0,05) |
NPV (i=0,02) |
|
2005 |
9000.00 |
10000.00 |
|
5000 |
4000.00 |
-4000.00 |
-4000.00 |
|
150.00 |
850.00 |
850.00 |
850.00 |
|
2006 |
9450.00 |
10600.00 |
|
100 |
1050.00 |
1000.00 |
1029.41 |
|
165.00 |
985.00 |
938.10 |
965.69 |
|
2007 |
9922.50 |
11236.00 |
|
100 |
1213.50 |
1100.68 |
1166.38 |
|
181.50 |
1132.00 |
1026.76 |
1088.04 |
|
2008 |
10418.63 |
11910.16 |
|
100 |
1391.54 |
1202.06 |
1311.27 |
|
199.65 |
1291.89 |
1115.98 |
1217.37 |
|
2009 |
10939.56 |
12624.77 |
|
100 |
1585.21 |
1304.16 |
1464.49 |
|
219.62 |
1465.60 |
1205.75 |
1353.99 |
|
2010 |
11486.53 |
13382.26 |
|
100 |
1795.72 |
1406.99 |
1626.44 |
|
241.58 |
1654.15 |
1296.07 |
1498.21 |
|
2011 |
12060.86 |
14185.19 |
|
100 |
2024.33 |
1510.59 |
1797.55 |
|
265.73 |
1858.60 |
1386.91 |
1650.38 |
|
2012 |
12663.90 |
15036.30 |
|
100 |
2272.40 |
1614.95 |
1978.26 |
|
292.31 |
2080.09 |
1478.28 |
1810.84 |
|
2013 |
13297.10 |
15938.48 |
|
100 |
2541.38 |
1720.11 |
2169.04 |
|
321.54 |
2319.84 |
1570.16 |
1979.96 |
|
2014 |
13961.95 |
16894.79 |
|
100 |
2832.84 |
1826.07 |
2370.39 |
|
353.69 |
2579.14 |
1662.54 |
2158.11 |
|
2015 |
14660.05 |
17908.48 |
|
100 |
3148.43 |
1932.86 |
2582.81 |
|
389.06 |
2859.36 |
1755.40 |
2345.67 |
|
2016 |
15393.05 |
18982.99 |
|
100 |
3489.93 |
2040.49 |
2806.82 |
|
427.97 |
3161.96 |
1848.73 |
2543.05 |
|
2017 |
16162.71 |
20121.96 |
|
100 |
3859.26 |
2148.98 |
3043.00 |
|
470.76 |
3488.49 |
1942.52 |
2750.65 |
|
2018 |
16970.84 |
21329.28 |
|
100 |
4258.44 |
2258.34 |
3291.91 |
|
517.84 |
3840.60 |
2036.75 |
2968.91 |
|
2019 |
17819.38 |
22609.04 |
|
100 |
4689.66 |
2368.59 |
3554.17 |
|
569.62 |
4220.03 |
2131.40 |
3198.26 |
|
2020 |
18710.35 |
23965.58 |
|
100 |
5155.23 |
2479.75 |
3830.41 |
|
626.59 |
4628.64 |
2226.46 |
3439.15 |
|
2021 |
19645.87 |
25403.52 |
|
100 |
5657.65 |
2591.83 |
4121.29 |
|
689.25 |
5068.40 |
2321.89 |
3692.05 |
|
2022 |
20628.16 |
26927.73 |
|
100 |
6199.56 |
2704.85 |
4427.50 |
|
758.17 |
5541.39 |
2417.69 |
3957.46 |
|
2023 |
21659.57 |
28543.39 |
|
100 |
6783.82 |
2818.82 |
4749.75 |
|
833.99 |
6049.83 |
2513.83 |
4235.85 |
|
2024 |
22742.55 |
30256.00 |
|
100 |
7413.44 |
2933.75 |
5088.82 |
|
917.39 |
6596.06 |
2610.28 |
4527.74 |
|
2025 |
23879.68 |
32071.35 |
|
100 |
8091.68 |
3049.67 |
5445.47 |
|
1009.12 |
7182.55 |
2707.03 |
4833.65 |
|
|
321473.27 |
399927.27 |
|
|
|
36013.55 |
53855.18 |
|
|
|
37042.54 |
53065.03 |
De winst met gebruik van de
waterzuivering is berekend door baten – kosten – wazu kosten in het
betreffende jaar te nemen. De winst met gebruik van belasting wordt
berekend op dezelfde manier (baten – kosten – belasting).
De totalen van de NPV worden gebruikt om de twee instrumenten te
vergelijken en tevens twee verschillende discount rates (i) af te wegen.
Referenties
Arrow, K., Bolin, B., Constanza, R., Dasgupta, P., Folke, C., Holling,
C.S., Jansson, B.O., Levin, S., Mäler, K.G., Perrings, C. and Pimentel,
D. Economic Growth, Carrying Capacity and the Environment.
Ecological Economics, 1995, 15: 91-95
Barbier, E., Water and Economic Growth. The Economic Record 80
(248), 2004: 1-16
Connely, J. and Smith, G., Politics and the Environment. From
Theory to Practise, 2nd edition, Routhledge, London and New York, 2003
Cunningham, W.P. and Cunningham, M.A., Principles of Environmental
Science. Inquiry and Applications. 2nd edition, McGraw-Hill, New
York, 2004
Dasgupta, S., Laplante, B., Wang, H., and Wheeler, D., Confronting
the Environmental Kuznets Curve. Journal of Economic Perspectives.
2002
www. 450.aers.psu.edu/development_environment.cfm. (15-03-2005)
Perman, R., Ma., Y., McGilvray, J. and Common, M., Natural Resource
and Environmental Economics. 3rd edition, Pearson Education, Harlow,
2003
Pestel, E., Abstract of the Limits To Growth. A Report to The
Club of Rome (1972), by Donella H. Meadows et. al. 1978
RIZA, 2003. Handboek Kaderrichtijn Water.
www.kaderrichtlijnwater.nl
(17-03-2005)
Ruiter, H. en Timmerman, J., Trends in Water. Ministerie van
Verkeer en Waterstaat, 2004
Stichting Deltawerken, 2004. Duurzaam Waterbeheer.
www.deltawerken.com
(17-03-2005) |