|
Aan het broeikaseffect is nogal wat onderzoek geweid. Het
IPCC heeft rapporten uitgebracht over klimaatverandering en de gevolgen daarvan
in de toekomst, gebaseerd op modellering. Maar aan de resultaten van het IPCC
wordt getwijfeld door andere wetenschappers en skeptici. Enkelen gaan zelfs
zover te stellen dat er niet zoiets bestaat als een versterkt broeikaseffect.
Deze pagina en aanverwante pagina's zijn samengesteld door
een Master student Milieusysteemanalyse. Het materiaal is opgenomen op onze
website, maar vertegenwoordigt niet de mening van Lenntech. De pagina's zijn
bedoelt als informatiebron voor studenten en wetenschappers.
1. De discussie over de skeptische milieukundige
|
 |
Bjorn Lomborg, een van de 100
meest invloedrijke personen volgens Time Magazine, staat in de
wetenschapskringen bekend als 'De Skeptische Milieukundige'. Hij
bekritiseerde de verwachtingen van het IPCC betreffende
klimaatverandering, en de gevolgen daarvan in zijn boek (zie afbeelding).
Organisaties als Greenpeace, waarvan Lomborg enige tijd geleden actief
lid was, heeft hem al verscheidene malen verbaal aangevallen (zie 1.4).
Zowel het hoofdstuk van Lomborg over het broeikaseffect als de reactie
van een wetenschapper werkzaam bij het IPCC worden hier besproken. |
1.1 Bjorn
Lomborg
1.1.1
Algemeen
Lomborg stelt
dat 'de beperkingen van de huidige computermodellen, de onrealistische
achtergrond van basisaannamen over toekomstige technologische ontwikkeling en
politieke waardeoordelen de objectiviteit van de scenario's die aan het publiek
worden gepresenteerd beïnvloeden'.
Lomborg is het niet oneens met de huidige uitleg van het mechanisme
van klimaatverandering. Hij ontkent ook niet de bijdrage van de mens
aan de opwarming van de aarde, of dat de eeuwen voor 1900 veel
kouder waren dan de afgelopen eeuw. Maar hij stelt wel dat de
temperatuurverschillen veel te maken hebben met de Kleine IJstijd,
welke duurde van 1400 tot 1900. Hij ontkent ook niet dat zich een
Warme Periode in de middeleeuwen heeft voorgedaan, met
temperatuurstijgingen van 2-3 graden.
1.1.2 Proxy indicatoren
Lomborg
bekritiseert het gebruik van jaarringen van bomen door Michael Maan voor de
bepaling van temperaturen voor de tijd voordat de thermometer was uitgevonden.
Hij betoogt dat alleen ringdata uit Noord-Amerika zijn gebruikt, en dat deze
alleen iets zeggen over de landoppervlakte temperaturen in de zomer. Ook is niet
gecorrigeerd voor storende factoren tijdens de metingen, en voor andere factoren
die ringmetingen kunnen beïnvloeden. Omdat de data uit verschillende bronnen
afkomstig zijn vraag Lomborg zich af of de schaal wel voldoet, en of er in de
eerste plaats al voldoende proxy indicatoren zijn gebruikt. De bevindingen zijn
van groot belang, want de grafiek van Michael Mann staat aan de basis van de
IPCC rapporten uit 2001.
Jaarringen en andere proxy indicatoren tonen veranderingen aan voor een periode
van 1000 jaar. Volgens Lomborg zijn metingen voor 1000 jaar niet erg nauwkeurig,
omdat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat een klimaatcyclus ongeveer
1500 jaar duurt.
1.1.3
Broeikasgassen en temperatuurverandering
Betreffende
broeikasgassen stelt Lomborg dat we ons niet moeten afvragen of antropogene
emissies het klimaat beïnvloeden, maar hoeveel invloed deze hebben op de
temperatuur. Om dit aan te tonen moet het klimaat in de toekomst worden
voorspeld, iets dat erg moeilijk is vanwege de complexiteit van het
klimaatsysteem. De huidige klimaatmodellen zijn al zeer complex, maar lang niet
alle aspecten van het systeem zijn er nog in opgenomen. Scenario's (voorspellingen
van toekomstige gebeurtenissen) zijn niet altijd op redelijke aannames gebaseerd,
en ook onbreken nog gegevens. De totale invloed van CO2 op het
klimaat is sterk afhankelijk van een aantal cruciale gegevens in modellen, zoals
zwavel aerosolen, waterdamp en bewolking. Dit wordt hier kort uitgelegd.
Zwavel aerosolen weerkaatsen zonlicht en kunnen daardoor het effect van
broeikasgassen verminderen, waardoor de invloed op temperatuur kleiner wordt.
Het IPCC is op de hoogte van dit effect en neemt het op in de klimaatmodellen.
Er is echter nog veel onzekerheid over het precieze effect van zwavel aerosolen,
en andere aerosolen zijn nog niet onderzocht. Troposferische temperaturen
bepalen in belangrijke mate de oppervlakte temperatuur, en op satellietbeelden
van de NOAA nemen deze lang niet zover toe als was voorspeld door het IPCC.
Zowel satellietbeelden als metingen met weerballonnen tonen een andere opwarming
aan dan de klimaatmodellen. Wanneer dit een significant verschil is zou de
feedback van waterdamp door evaporatie minder zijn, en daardoor zou de opwarming
door CO2 ook minder zijn dan is voorspeld. Waterdamp versterkt de CO2
opwarming, omdat het warmte opneemt. Een andere onzekerheid in de voorspellingen
van het IPCC wordt veroorzaakt door de invloed van bewolking op temperatuur.
Wolken kunnen warmte terugkaatsen en daardoor grote temperatuurveranderingen
voorkomen. Maar wolken zijn nog niet inbegrepen in de huidige klimaatmodellen,
en vormen daardoor een belangrijke stoorfactor in de klimaatsimulaties. Ondanks
alle bovenstaande opmerkingen over de invloed van CO2 emissies op
temperatuur zijn de klimaatvoorspellingen van het IPCC in de afgelopen 10 jaar
nauwelijks veranderd.
1.1.4
Andere oorzaken van klimaatverandering
Lomborg geeft
ook aan dat we ons moeten afvragen of broeikasgas emissies de werkelijke oorzaak
zijn van temperatuurverandering. Het is nog maar de vraag of
temperatuurverandering echt leidt tot de
catastrofale effecten die zijn
voorspeld door de IPCC modellen.
Het belangrijk te noemen dat niet alleen broeikasgassen, maar ook zonne-energie
de opwarming van de aarde beïnvloed. Het debat rond het briekaseffect richt zich
vaak maar op een van de twee factoren. Het IPCC noemt het zone-effect wel, maar
gaat er niet uitgebreid op in. Lomborg stelt dat het inbegrijpen van het zonne-effect
weleens zou kunnen resulteren in een verminderd CO2-effect dan de
aanvankelijke schatting. De zonnestraling is in de afgelopen 10 jaar toegenomen,
waardoor de temperatuur zo'n 0,4oC graden is gestegen. Recent
onderzoek heeft uitgewezen dat directe zonnestraling in de afgelopen 30 jaar
ongeveer 40% van de waargenomen opwarming van de aarde heeft veroorzaakt. Deense
meteorologen hebben een duidelijk verband aangetoond tussen de duur van een
zonnecyclus en de gemiddelde temperatuur op aarde. Over deze theorie wordt nog
steeds gespeculeerd. Onderzoek heeft tot nu toe uitgewezen dat een langere duur
van de zonnecyclus resulteert in lagere zonne-activiteit. Gevolg is meer
cosmische straling en daardoor een toename in wolkvorming. Deze straling
produceert wolken uit ionen die zonne-energie weerkaatsen, waardoor de opwarming
van de aarde vermindert. Volgens deze theorie zouden kortere zonne-cycli leiden
tot een temperatuurstijging, volgens het omgekeerde mechanisme. Hierdoor worden
blijkbaar temperatuurveranderingen tussen 1860 en 1950 verklaard, welke door
andere wetenschappers aan natuurlijke variatie werden toegeschreven. Het
IPCC heeft dit onderzocht en kwam tot de conclusie dat de 'zonne-hypothese' 57%
van de variatie in temperatuur verklaart. De klimaatgevoeligheidsschatting is
33% lager dan die van het IPCC (1,7oC).
1.1.5 IPCC scenario's
Lomborg heeft
wat concrete kritiek geuit op de IPCC scenario's van 1992. Hij stelt dat de
voorspellingen van bevolkingsgroei te hoog zijn, en dat deze bovendien die van
de VN overstijgen. Hij is het oneens met de bewering dat tegen 2100 82% van de
tropische bossen gekapt zal zijn, en met de verwachting van een verdubbeling van
de CO2 uitstoot binnen 109 jaar. Wanneer de bevolking blijft groeien
op het huidige niveau zal de verdubbeling na 154 jaar plaatsvinden. Computer
simulaties gaan uit van een groei van 1% in CO2 uitstoot. Volgens
Lomborg zou 0,6% accurater zijn. Doordat ook andere gassen worden gemeten en
vervolgens worden uitgedrukt in CO2-equivalenten liggen de
schattingen ver boven de hoeveelheden gebaseerd op de huidige uitstoot. Lomborg
vindt dat alle broeikasgassen los van elkaar zouden moeten worden behandeld. Al
deze overschattingen van emissies veroorzaken een voorspelling van
klimaatverandering die waarschijnlijk veel dramatischer is dan de werkelijkheid.
De pers herhaalt de bevindingen van het IPCC zonder de overschattingen van
computermodellen te noemen.
In de nieuwe scenario's van 1996 verving het IPCC de term
voorspellingen, door projecties. Zwaveldioxide emissies voor de
komende eeuw zijn nu lager dan in de scneario's van 1992. Dit heeft
een grote invloed op het broeikaseffect, omdat zwavel aerosolen de
opwarming van de aarde kunnen verminderen, zoals eerder al genoemd
werd.
De duurzaamheids scenario's scoren veel beter dan de scenario's
waarin men gefocust is op menselijk vermogen. Volgens Lomborg moeten
we ons wel afvragen of een omslag naar een duurzame maatschappij het
wel waard is, omdat een van de gevolgen is dat onze kinderen 50%
minder verdienen dan wij. Deze vraag staat centraal in de discussie
over klimaatverandering.
Lomborg vindt de verbetering van het energiegebruik in de
duurzaamheidsscenario's wat vreemd. Het hoge energiegebruik in de
scneario's gefocust op menselijk inkomen zou uiteindelijk de prijzen
moeten doen stijgen, waardoor het verschil in energieverbetering
tussen de scenario's niet heel hoog zou zijn. In een van de
scenario's gefocust op menselijk inkomen wordt omgeschakeld naar
hernieuwbare energiebronnen, dit zou een gevolg kunnen zijn van de
genoemde prijsstijging. Lomborg vraagt zich wel af of de prijs van
hernieuwbare bronnen ooit wel zover zou dalen dat energie opwekking
daaruit goedkoper wordt dan uit niet-hernieuwbare bronnen. De meeste
IPCC scenario's gaan hier wel van uit, of er wordt aangenomen dat de
omslag zal worden gemakt vanuit milieu-oogpunt. Lomborg adviseert
een vergaande analyse van de mogelijkheid om
fossiele brandstoffen
te vervangen door duurzame energie, en van het waarom. Hij wil weten
hoe waarschijnlijk de omslag naar een duurzame maatschappij is, maar
het IPCC behandelt dit niet in detail. Alle scenario's worden
waarschijnlijk geacht. Een model van politieke economen
voorspelt dat de prijs van duurzame energie al 30% per decennium
daalt, en dat het waarschijnlijk tegen 2040 met niet-hernieuwbare
bronnen kan concurreren. Het model voorspelde ook een hogere
temperatuurverandering dan de modellen van het IPCC.
1.1.6 Gevolgen van het broeikaseffect
Het IPCC heeft met
klimaatmodellen veel verschillende
gevolgen van het broeikaseffect voorspeld, en omschreven. Voor de landbouw
wordt een verminderde opbrengst voorspeld, waardoor uiteindelijk de productie af
zal nemen. Lomborg geeft echter aan dat zelfs de meest pessimistische
verwachtingen van het UK MET Office een toename van de opbrengst in de landbouw
voorspellen voor de komende 50 jaar. De meeste planten groeien beter bij hogere
atmosferische concentraties CO2 en hogere temperaturen, door een
toenemend vermestingseffect. Door dat effect neemt de totale productie dus niet
af. De opwarming van de aarde kan het verschil tussen ontwikkelingslanden en
ontwikkelde landen vergroten, omdat ontwikkelde landen de landbouwmethoden
sneller kunnen aanpassen en daardoor heeft een langer groeiseizoen minder
negatieve gevolgen. Maar tegen de tijd dat het verschil zichtbaar zal zijn, zijn
ontwikkelingslanden waarschijnlijk veel meer ontwikkeld. De IPCC scenario's gaan
uit van de huidige staat van ontwikkeling, en de mogelijke ontwikkeling van
plantensoorten die resistent zijn voor klimaatverandering wordt ook niet
meegenomen.
Klimaatverandering wordt vaak in verband gebracht met zeespiegel stijging en het
smelten van de ijskappen. De zeespiegel is de afgelopen eeuw 10-25 cm gestegen
en zal nog tussen 31 en 49 cm stijgen in de komende eeuw. De stijging is vooral
het resultaat van wateruitzetting door opwarming, en in mindere mate van het
smelten van de ijskappen. Volgens het IPCC zal door stijging van de zeespiegel
het aantal overstromingen toenemen; 70-200 miljoen mensen zullen ermee te kampen
krijgen. Lomborg stelt dat een van de gevolgen van de toenemende bevolking is
dat meer mensen in overstroming gevoelige gebieden wonen. Hij benadrukt dat we
waarschijnlijk betere oplossingen voor het overstromingsprobleem zullen vinden
naarmate we rijker worden. In modellen zijn momenteel alleen maatregelen
inbegrepen die al genomen worden. Lomborg verwacht dat beschermingsmaatregelen
tegen overstroming uiteindelijk goedkoper zullen worden.
Vaak wordt beweerd dat klimaatverandering de menselijk gezondheid onder druk zal
zetten, met name die van armere gezinnen en ouderen die geen air-conditioning
systeem hebben. Lomborg benadrukt dat de bevolking rijker zal worden, en
daardoor meer mensen air-conditioning aan kunnen schaffen. In een warmere wereld
sterven ook minder mensen van de kou, waardoor over het algemeen meer mensen
overlijden. Een recent onderzoek naar de Europese bevolking toonde aan dat
mensen zich aan kunnen passen aan kleine temperatursstijgingen in de zomer.
Lomborg denkt daarom dat mensen zich wel aan zouden kunnen passen aan
temperatuurveranderingen in de toekomst. Ook zal de afname in doden door de kou
groter zijn dan de toename in doden door de warmte. Het IPCC stelt dat ziektes
als malaria bij warm weer meer voorkomen. Volgens Lomborg heeft dat niets met
het warmere klimaat te maken, omdat in de Kleine IJstijd een malaria epidemie
doordrong tot de Arctische Cirkel. De malariamuggen zochten onderdak in kleine
beschutte scheuren in het ijs. Zelfs als het aantal gevallen van malaria
toeneemt, zou de ontwikkeling van de gezondheidszorg epidemieën tegen kunnen
gaan. Het uiteindelijk aantal besmettingen zal niet erg veel hoger liggen, omdat
de meeste nieuwe gevallen zich voor zullen doen in ontwikkelde landen waar al
medicijnen aanwezig zijn.
Door klimaatverandering zal extreem weer vaker voorkomen, waardoor enkele
bedreigde diersoorten sneller zullen uitsterven. Maar in het Holoceen zijn er
periodes geweest met 1-2 graden temperatuurstijging, waarbij helemaal geen
extreem weer voorkwam. Er zijn modellen die het voorspellen, maar andere
modellen gaan niet uit van een verandering. Het IPCC stelt dat alleen op
regionale schaal bewijs voor extreem weer is gevonden, maar er zijn geen
patronen. Er lijkt dus geen sluitend bewijs van extreem weer te zijn. Lomborg
zegt dat waarnemingen van extreem weer vaak worden onderbouwd vanuit economische
waarnemingen van hogere kosten door weer. Deze vergelijking is wellicht
onredelijk, omdat niet wordt gekeken naar het aantal mensen van de groeiende
bevolking dat in risico-gebieden gaat wonen. Een onderzoek van 1999 toonde aan
dat extreme weersomstandigheden niet de hoofdoorzaak van rampen in de jaren 1990
waren. Sociale omstandigheden zijn vaker de oorzaak.
Niet alle temperaturen zijn veranderd. Wereldwijd nemen de minimale nacht
temperaturen als eerste toe. Mondiale opwarming komt meer voor in de winter dan
in de zomer. Het gevolg was dat alleen in Australië en Nieuw-Zeeland een
verschil in de absolute temperatuur te zien zal zijn. Dat heeft een positief
effect op de opbrengst vanuit de landbouw. Het aantal dagen zware regen kan
toenemen, waardoor meer overstromingen plaatsvinden, maar dit kan in de toekomst
waarschijnlijk door adequate maatregelen voorkomen worden, voorbeelden zijn
behoud van wetlands, en damconstructie. Een gezamenlijke toename van de
temperatuur, CO2 en neerslag zullen de aarde groener maken. IPCC
modellen hebben dit ook voorspeld.
Lomborg zegt dat het belangrijk
is te beslissen uit welke overwegingen we zullen besluiten wel of niet actie te
ondernemen. Wat we ook beslissen, het zal een dure aangelegenheid worden. Alle
maatregelen moeten onderbouwd zijn met afdoende wetenschappelijk bewijs. Dat is
moeilijk, omdat nog steeds veel onzekerheden zitten in de huidige
klimaatmodellen. Deze overwegingen zullen de discussie over klimaatverandering
voort laten duren tot ver in de toekomst.
1.1.7
Kosten van Kyoto
Het IPCC heeft de kosten van
klimaatverandering geschat door de totale kosten van een verdubbeling en
stabilisatie van de CO2 concentratie op te tellen. Lomborg is van
mening dat de voorraad niet zal verdubbelen, en dat in de kostenberekening geen
rekening is gehouden met mogelijke toekomstige maatregelen tegen
klimaatverandering. Hij stelt ook dat de hoogst mogelijke IPCC prjecktie van
temperatuur stijging (1,4-5,8oC) erg
onwaarschijnlijk is. Niet alle sectoren die een invloed hebben op klimaat zijn
volgens hem inbegrepen in berekeneningen van de gevolgen van klimaatverandering.
De transport sector en mogelijke politieke instbiliteit zijn uitgesloten. De
kostenberekening zou de kosten van aanpassing en de kosten van gevolgen van
klimaatverandering zonder aanpassing samen moeten nemen.
In relatieve zin zijn de kosten ongelijk verdeeld, omdat kosten voor
ontwikkelingslanden even hoog zijn als voor de rijkere ontwikkelde landen. De
verwachting van het IPCC is dat klimaatverandering ernstigere gevolgen heeft
voor ontwikkelingslanden, vanwege het lagere aanpassend vermogen door de armoede.
Lomborg denkt dat dit kan worden verholpen door de broeikasgas emissies (vooral
CO2) in ontwikkelde landen terug te dringen. Het Kyoto protocol is
een eerste poging hiertoe, maar dat maakt mogelijk geen verschil. Er zijn
namelijk geen emissie standaards geformuleerd voor ontwikkelingslanden, waardoor
ontwikkelde landen de koolstofindustrie naar ontwikkelingslanden kan verplaatsen
en daar onbeperkt CO2 kunnen blijven uitstoten. De VS zijn van mening
dat Kyoto alleen een verschil kan uitmaken als ontwikkelingslanden ook deel gaan
nemen. Maar in veel ontwikkelingslanden is men van mening dat de ontwikkelde
wereld grotendeels het probleem veroorzaakt, en dat zij er de dupe van zijn.
Maar ontwikkelingslanden moeten ook de uitstoot beperken. Volgens Lomborg is dat
heel goed mogelijk wanneer ontwikkelingslanden emissierechten krijgen toegekend
voor een business-as-usual scenario, zodat ze die kunnen verkopen aan
ontwikkelde landen. Zo wordt echter wel de aanvankelijke verdeling van
emissierechten bemoeilijkt, omdat een aantal rechten aan ontwikkelingslanden
moet worden gegeven, en deze vanwege een slecht administratief vermogen mogelijk
later uit het systeem verdwijnen. Lomborg vindt dat we ons moeten afvragen of we
inderdaad ontwikkelingslanden in Kyoto moeten betrekken; wellicht is het beter
direct in de landen te investeren, bijvoorbeeld in duurzaam energiegebruik.
Daardoor zouden ze nu hun emissies kunnen aanpakken, in plaats van de oplossing
van het probleem uit te stellen.
Kyoto zou temperaturen en zeespiegel stijgingen doen afnemen. Lomborg zegt
echter dat Kyoto een dergelijk effect niet heeft, omdat het alleen de gevolgen
van klimaatverandering met 6 jaar uitstelt; van 2094 naar 2100. Wetenschappers
hebben toegegeven dat veel grotere emissie reducties nodig zijn om te zorgen dat
klimaatverandering vermindert, door middel van het Kyoto protocol.
De kosten van Kyoto kunnen op een efficiente manier worden gedeeld door
emissierechten handel. Hierdoor worden
emissies gereduceerd door het land dat dit tegen de laagst mogelijke kosten kan
doen. dat is mogelijk omdat het niet uitmaakt welk land zijn emissies reduceert,
want klimaatverandering is een wereldwijd probleem. Door middel van vrij handel
wordt het emissierechten systeem effectiever. Een probleem is echter dat de EU
binnen de eigen grenzen wil handelen, terwijl de VS voor wereldwijde handel zijn.
Het handelsmechanisme bepaalt de kosten van Kyoto. Een mondiaal
handelsmechansime is het goedkoopst, en helemaal geen handel genereert de
hoogste kosten.
Lomborg stelt verder nog dat een vermindering van de CO2 emissies met
5,2% wel erg ingrijpend is, omdat de gewenste reductieniveaus zijn gesteld ten
opzichte van 1990. Het betekent ook dat steeds verdergaande reducties moeten
worden berijkt, tot 50% in 2050, met als gevolg dat Kyoto steeds duurder wordt.
Volgens Lomborg zouden de kosten van emissie reductie in 2050 even hoog zijn als
de kosten van klimaatverandering in 2100. En die kosten blijven staan, omdat
Kyoto de verandering van het klimaat niet tegengaat, maar alleen uitstelt. Dit
zou betekenen dat landen een dubbele prijs betalen voor klimaatverandering.
1.1.8
Actie of geen actie
Ten slotte
benadrukt Lomborg dat we voorzichtig moeten zijn met de keuze wat we gaan doen.
Hij geeft aan dat het verminderen van de CO2 uitstoot met meer dan
11%, of helemaal stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen, ingrijpende
consequenties heeft voor de economie. Volgens deze hypothese is de ideale
beleidsmaatregel een gemiddeld niveau van vermindering van CO2.
Lomborg stelt dat het beter zou zijn geleidelijk investeringen te doen in schone
technologie, zoals zonne-energie. Hij vraagt zich af waarom de huidige
klimaatrapporten de gevolgen van emissie reducerende maatregelen voor de
economie niet behandelen. Wanneer de kosten van reductie hoger zijn dan de
uiteindelijke kosten van klimaatverandering, heeft dat een sterke negatieve
invloed op de economie. Lomborg geeft toe dat we de reducerende maatregelen
waarschijnlijk wel kunnen betalen, maar vraagt zich af of het uitstellen van de
groei van het BNP met een aantal jaar na 2050 het wel waard is.
Bron: Lomborg, B., The
Skeptical Environmentalist - Measuring the Real State of the World.
Cambridge University Press 1998, United Kingdom, H24: Global Warming (258-324)
1.2
De mening van Schneider over de stellingen van
Lomborg
Stephen
Schneider is een bekende wetenschapper gespecialiseerd in het broeikaseffect en
klimaatverandering. Hij heeft onder andere een aantal IPCC hoofdstukken
geschreven, en enkele IPCC rapporten over onzekerheden. Hij spreekt Lomborg's
mening over het onderwerp tegen in het wetenschappelijk tijdschrift 'Scientific American'.
Schneider geeft aan dat de meeste van de bijna 3000 literatuur referenties in 'The
Skeptical Environmentalist' van tweederangs literatuur of media artikelen
afkomstig zijn. Sommige zijn vroegtijdig geplaatste artikelen of tweederangs
artikelen. Het kleine aantal echt wetenschappelijke artikelen waaraan wordt
gerefereerd bevestigd de rooskleurige mening van Bjorn Lomborg. Schneider vindt
het daarnaast opmerkelijk dat een statisticus als Lomborg geen enkele
waarschijnlijkheid noemt in zijn boek, voor de verschijnselen die hij bespreekt.
De projecties van het IPCC bevatten vrij grote ranges, maar in Lomborg's werk
ontbreken deze volledig.
Schneider vindt dat Lomborg een aantal mechanismen verkeerd begrepen heeft. Hij
gebruikt daarvoor als achtergrond de resultaten van onderzoek dat slechts enkele
jaren geleden gestart is, als onderbouwing van de stellingen. De bovengenoemde 'zonne-hypothese'
wordt door Schneider en het IPCC verworpen, omdat de voorstanders ervan nooit
enig sluitend bewijs hebben gevonden voor de theorie, en omdat de anthropogene
bijdrage aan het briekaseffect nog steeds veel groter is.
Schneider heeft vooral kritiek op het feit dat Lomborg geen ecologische gevolgen
van klimaatverandering bespreekt. Lomborg legt de nadruk op gevolgen voor de
volksgezondheid en de landbouw. Hij is ook van mening dat die sectoren niet erg
veel schade ondervinden van de klimaatverandering.
De stelling van Lomborg dat een economie gebaseerd op energie winning uit
hernieuwbare bronnen op komst is, wordt door Schneider volledig verworpen. Hij
noemt het onwaarschijnlijk dat stijgende prijzen van fossiele brandstoffen
automatisch zullen leiden tot een omschakeling naar hernieuwbare bronnen. Hoge
prijzen voor fossiele brandstoffen garanderen ook geen ommeslag in het beleid
naar stimulering van het gebruik van hernieuwbare bronnen. De
onwaarschijnlijkheid van een scenario gebaseerd op een fossiele brandstoffen
economie wordt door Schneider verworpen, in hoofdzaak omdat Lomborg geen
statistische onderbouwing van de bewering geeft.
Volgens Schneider kunnen de gevolgen van klimaatverandering variëren van winst
tot catastrofale verliezen. Ironisch genoeg noemt Lomborg maar 1 mogelijk
scenario voor de kosten van klimaatverandering. Het IPCC stelt aanpassingen voor,
omdat de catastrofale effecten van het broeikaseffect nog niet uitgesloten
kunnen worden. Dit zou betekenen dat een wijde range van kosten mogelijk is,
precies zoals wordt voorgesteld door de economen waarnaar Lomborg refereert.
Lomborg stelt wel een range voor beleidskosten, maar deze is gebaseerd op
bevindingen van enkel economen, en bestaande imperfecties in de markt worden
buiten beschouwing gelaten. Als een maatschappij de imperfecties in de markt
aanpakt zouden de kosten van emissie reductie weleens behoorlijk kunnen dalen.
Schneider uit zijn ontevredenheid over de verwerping van het Kyoto protocol door
Lomborg. Hij stelt dat het onmogelijk is het protocol uit te breiden van 2012
naar 2100, zoals Lomborg heeft gedaan in zijn boek. In het IPCC rapport wordt de
uiteindelijk benodigde reductie van 50% wel genoemd. Lomborg is van mening dat
hierdoor de druk van Kyoto op de economie te hoog wordt. Schneider reageert dat
niet wordt gesuggereerd dat de volledige reductie met alleen Kyoto te behalen
is. Zowel ontwikkelde landen als ontwikkelingslanden zullen na verloop van tijd
zelf met kosten-effectieve maatregelen moeten komen om verdere emissie reductie
te halen. Lomborg stelt dat de internationale samenwerking nog niet ver genoeg
gaat om daadwerkelijk iets te bereiken met het Kyoto protocol, maar Schneider
stelt dat Kyoto juist een eerste stap zou moeten zijn op weg naar internationale
cooperatie.
Ten slotte becommentarieert Schneider de ondertitel van het boek van Lomborg; 'The real state
of the world', omdat het IPCC meermalen bewezen heeft dat de wereld in
werkelijkheid niet zo rooskleurig is als Lomborg voor doet komen. Ieder scenario
is mogelijk, maar in werkelijkheid kunnen zowel het IPCC als Lomborg niet
precies voorspellen wat de toekomst zal brengen. Schneider bekritiseert de
Campridge University press voor het publiceren van een onbeschouwd werk.
1.3
Lomborg reageert

Bjorn Lomborg
zegt dat veel van Schneider's kritieken onterecht zijn. Hij is van mening dat
zijn informatie van prima kwaliteit is, omdat hij het gebaseerd heeft op bronnen
zoals internationale wereldorganisaties en bestaande statistieken. Hij zegt dat
Schneider hem verkeerd begrijpt, omdat zijn boodschap helemaal niet is dat alles
wel goedkomt. Hij wil simpelweg aantonen dat we niet moeten handelen van doom
scenario's zoals die soms worden gepresenteerd, vooral betreffende
klimaatverandering.
Lomborg zegt dat hij niet ontkent dat het broeikaseffect en de anthropogene
bijdrage daaraan werkelijkheid zijn. Hij is ook van mening dat hij de informatie
van het IPCC niet verkeerd heeft geïnterpreteerd.
Volgens Lomborg zijn er wetenschappers die beweren dat het juist Schneider is
die tweederangs informatie gebruikt als hij Lomborg's argumenten probeert te
ondermijnen. Ironisch genoeg is dat precies het argument dat Schneider tegen
Lomborg's kritieken gebruikte.
Lomborg herhaalt zijn stelling dat het niet perse waar is dat we iets moeten
doen aan klimaatverandering, zoals ons instinct ons vertelt. We kunnen beter
kritisch kijken naar het verschil in kosten wanneer we er iets aan doen, en
wanneer we er niets aan zouden doen. Vervolgens kunnen we pas besluiten wat de
beste respons op het milieuprobleem is.
Hij herhaalt ook zijn argument dat Kyoto wel een erg dure grap wanneer je kijkt
naar de effectiviteit ervan. Het zou beter zijn ontwikkelingslanden op duurzame
wijze te helpen ontwikkelen. Hij stelt ook dat Schneider alle extra kosten die
worden gegenereerd door een uiteindelijke emissie reductie van 50% onder Kyoto
niet noemt. Deze zouden ten koste gaan van de mogelijkheid iets te doen aan
andere milieuproblemen die zich voordoen, naast klimaatverandering.
Bron: The
Scientific American, 2001. Voor de volledige reactie van Lomborg, zie
http://www.lomborg.org en voor andere
reacties van auteurs, zie
http://www.sciam.com/search/index.cfm?QT=Q&SCC=Q&Q=lomborg (EN)
1.4
Greenpeace vs. Lomborg
|
 |
Wonderbaarlijk genoeg was Bjorn
Lomborg vroeger een ecologische activist en lid van de internationale
milieu-organisatie Greenpeace. Toen zijn boek 'The Skeptical Environmentalist'
werd gepubliceerd had Greenpeace grote bezwaren tegen de inhoud. Ze
gaven hem de naam 'Anti-Christ of the Green Religion'. Sommige
Greenpeace campagne voerders gaan zelf zover dat ze Lomborg de naam
geven van 'een intellectuele fraudeur die wordt gemotiveerd door het
fascistische verlangen om de Linkse milieupartijen in discrediet te
brengen'. |
Niet alleen
Greenpeace zet hard af tegen de stellingen van Lomborg. Zoals eerder als werd
genoemd, gaan ook wetenschappers ertegenin. Stuart Pimm en Jeff Harvey zeggen in Nature magazine:
"The text of The Skeptical Environmentalist on global warming and
climate change employs the strategy of those who, for example, argue that gay
men aren't dying of AIDS, that Jews weren't singled out by the Nazi's for
extermination, and so on". Met andere woorden: "De tekst van 'The
Skeptical Environmentalist' over klimaatverandering en het broeikaseffect
gebruikt dezelfde redenering als mensen die ontkennen dat homofiele mannen
sterven aan AIDS, dat Joden werden vermoord in de Tweede Wereldoorlog,
enzovoorts."
Lomborg heeft
een hoofdstuk geschreven over klimaatverandering, waarin de mate van het
probleem en de maatregelen ertegen kritisch worden besproken. Dat betekent
echter niet dat Lomborg niet geloofd dat er zoiets bestaat als het
broeikaseffect. In de andere hoofdstukken van zijn boek gaat hij echter wel
zover te beweren dat de milieuproblemen lang niet zo ernstig zijn als we denken,
en dat de maatregelen die we nemen misschien wel helemaal niet nodig zijn. Hij
stelt onder andere dat de grondstoffen niet opraken, en dat soorten niet zo snel
uitsterven als wordt beweerd. Greenpeace spreekt de vecht de beweringen met
harde hand aan.
Lomborg zegt dat Greenpeace zijn visie verkeerd opvat, omdat ze beweren dat hij
van mening is dat alles alleen maar beter wordt. Hij stelt alleen dat sommige
milieuproblemen niet zo ernstig zijn als we denken in vergelijking met het
verleden, en dat we prioriteiten moeten stellen bij de behandeling van de
milieuproblematiek.
Het boek van
Lomborg is niet bedoelt als een anti-milieukundig werk. Hij wil vooral aangeven
dat de milieubeweging momenteel vooral een afschrikbeleid voert gebaseerd op
ideologieïn, terwijl het op rationele analyse en risico-beoordeling gebaseerd
zou moeten zijn.
De Daily
Telegraph noemt Lomborg 'een bestempeld man', omdat hij regelmatig bedreigingen
ontvangt van milieu-activisten naar aanleiding van zijn boek. In september 2001
werd Lomborg zelfs door een activist in het gezicht geslagen met een taart,
omdat hij stelde dat wilde dieren op de polen niet met uitsterving bedreigd
worden.
Bron: Thomas,
D., Anti-Christ of the Green movement, Daily Telegraph 20/1/2002
2.
De drie die klimaatverandering een 'dogma' noemen
|
 |
Labohm, Rozendaal and Thoenes
(NL), hierna te noemen de auteurs, hebben een boek over
klimaatverandering geschreven, waarin ze het wetenschappelijk bewijs
voor het versterkte broeikaseffect in twijfel trekken. De auteurs zijn
zogeheten klimaat-skeptici, die de discussie nog verder terugbrengen dan
Bjorn Lomborg al deed; naar het bestaan van een anthropogeen
broeikaseffect. Ze stellen ook dat Kyoto niet voldoet en veel te duur
is, en ze geloven dat de schaarse bronnen die voor het protocol worden
gebruikt beter ergens anders voor kunnen worden aangewend. In de proloog
schrijven ze dat klimaatverandering een onderwerp is waarover een brede
discussie moet worden gevoerd, niet alleen tussen wetenschappers. Ze
argumenteren ook dat een wijder wetenschappelijk publiek moet worden
betrokken bij klimaatonderzoek. Ze gaan zelfs zover de religie te
bespreken en de gevolgen ervan voor de perceptie van een persoon van
klimaatverandering. Ze beginnen met het uiteenzetten van de absolute
feiten betreffende het broeikaseffect. |
2.1 Feiten
CO2
en andere broeikasgassen kunnen warmte vasthouden en daardoor het broeikaseffect
versterken. Dit kan resulteren in opwarming van de aarde, maar dat is een
hypothese en geen absolute waarheid.
In de afgelopen 100 jaar zijn de CO2 concentraties in de atmosfeer
behoorlijk gestegen, met name in de afgelopen decennia. Het is denkbaar dat
anthropogene emissies deze stijging hebben veroorzaakt. Volgens verschillende
schattingen is de anthropogene bijdrage aan het broeikaseffect minder dan 5% van
de totale productie.
2.2
Beweringen
De auteurs
stellen dat een stof die zo essentieel is voor al het leven onmogelijk
klimaatverandering zou kunnen veroorzaken buiten wat natuurlijk is in het
klimaatsysteem. Ze vinden dat klimaatverandering ver overdreven is, zodat mensen
blijven doneren aan milieu-organisaties die daarvan afhankelijk zijn. Door alle
media aandacht voor klimaatverandering hebben groene politieke partijen en
milieu-organisaties mensen kunnen overtuigen hen geldelijk te blijven steunen.
De auteurs beweren dat wetenschappers data manipuleren om een bepaalde uitkomst
te genereren. Ze gebruiken de resultaten van de Club van Rome als voorbeeld.
Daarin stond dat mensen in ontwikkelde landen teveel voedsel consumeren, en dat
zich snel een voedseltekort zou ontwikkelen. De aanname die werd gebruikt in het
computermodel was dat ieder gezin 4 kinderen had, terwijl een invoer van 3,3
kinderen helemaal geen voedselprobleem veroorzaakte. Volgens de auteurs zou men
met opzet 4 kinderen hebben ingevoerd. Dit is een voorbeeld van de
incapabiliteit van veel computer modellen. Zelfs op de meeste verfijnde
computers zou klimaatverandering moeilijk te voorspellen zijn, vanwege de
complexiteit van het verschijnsel. Veel van de klimaatvaoorspellingen zijn dus
gebaseerd op veel te groffe computer berekeningen. De modellen bevatten grote
onzekerheden, bijvoorbeeld betreffende de rol van wolken in het klimaatsysteem.
De auteurs noemen ook het gebrek aan temperatuur data, doordat de thermometer
nog maar vrij recent is uitgevonden. Allen voor Engeland zijn gegevens
beschikbaar voor een regio, die teruggaan tot 1659. Het rapport hierover laat
een opwarmingstrend zien van 0,8oC, maar deze begon 300 jaar geleden;
lang voordat broeikasgas emissies begonnen toe te nemen.
Mondiale opwarming heeft in het verleden geen grote invloed gehad op de
menselijke bevolking. Daarentegen is mondiale afkoeling nin de afgelopen 5000
jaar een grote bedreiging geweest. Sommige onderzoekers verklaren de
uiteenvalling van historische menselijke gemeenschappen door mondiale opwarming,
maar de auteurs stellen dat dit alleen is gedaan om een controversiële theorie
te ondersteunen. Warmere temperaturen door mondiale opwarming zouden alleen 's
nachts voorkomen, bij lagere temperatuur ranges. Dit zou een positieve invloed
hebben op de oogst, volgens zowel de auteurs als volgens Bjorn Lomborg.
Stijgende CO2 concentraties resulteren in een snellere groei van
planten. Planten schijnen sneller te groeien langs snelwegen dan in bossen. Ook
wordt beweerd dat gebieden die te kampen hebben met droogte weer vruchtbaar
kunnen worden door toenemende atmosferische CO2 concentraties.
Studies van NASA wijzen uit dat de aarde in de afgelopen twee decennia ongeveer
6% groener is geworden. De meeste planten groeien in de warmere gebieden, en in
koude gebieden als Siberië neemt de plantengroei juist af. De auteurs zijn van
mening dat dit positieve effect van mondiale opwarming veel meer aandacht
verdient in het publieke debat over klimaatverandering.
Net als Lomborg stellen de auteurs dat geld voor klimaatveranderingsondersoek
veel beter aan ontwikkelingshulp in de Derde Wereld kan worden besteed. Wanneer
ontwikkelingslanden steun ontvangen voor duurzame ontwikkeling zou dat weleens
veel meer mensen kunnen redden dan investeringen in een theorie die niet eens
afdoende wetenschappelijk bewezen is, zo stellen ze.
Waterdamp is een sterker broeikasgas dan CO2, en het veroorzaakt
60-70% van het huidige broeikaseffect. De auteurs geven aan dat ook hieraan in
het debat over klimaatverandering niet voldoende aandacht wordt geschonken. Alle
aandacht gaat naar koolstofdioxide, en dat komt door de onmogelijkheid om
belasting te heffen over waterdamp.Kooldioxide emissies zijn makkelijker aan te
pakken, omdat onmiskenbaar bewezen is dat een deel uit de verbranding van
fossiele brandstoffen komt; een anthropogene bron.
De gemiddelde temperatuur op aarde is niet de juiste invoer voor berekeningen
van klimaatveranderingen op aarde, zo stellen de auteurs. De reden voor deze
stelling is dat temperaturen een toestand zijn, en geen exacte hoeveelheid. Als
omstandigheden zoals de windsnelheid veranderen, beïnvloed dat mondiale
gemiddelde temperaturen, terwijl het op lokaal niveau nauwelijks merkbaar is. De
veranderingen worden veroorzaakt door een aantal ingewikkelde mechanismen. Er is
altijd wel een invloed die de gemiddelde mondiale temperatuur doet veranderen,
deze kan zowel positief als negatief zijn. Volgens de auteurs kan allen
enthalpie (de som van interne en externe energie) worden gebruikt voor
bepalingen van klimaatverandering. Helaas is dit praktisch gezien niet mogelijk,
omdat er geen fysieke limiet aan zit en dus alle ijskappen en wolken inbegrepen
zouden moeten worden. Gevolg is tekortkomingen in de IPCC verslagen.
CO2 is een essentieel component van het leven van planten, dieren en
mensen. Het is de bouwsteen van alle organische materialen in organismen.
Voordat dierlijk leven op aarde mogelijk was, waren de atmosferische CO2
concentraties veel hoger dan ze momenteel zijn. Onder deze omstandigheden begon
zich vegetatie te onwikkelen, waardoor uiteindelijk menselijk en dierlijk leven
mogelijk werd. Alle zuurstof
die wordt gebruikt door organismen wordt opgebouwd door planten uit CO2
en andere componenten. De auteurs stellen daarom dat kooldioxide onterecht een
vervuilende stof wordt genoemd. Toch gebruiken we de term sinds de ontdekking
van de bijdrage van CO2 aan het anthropogene broeikaseffect. CO2
concentraties in de atmosfeer zijn in de afgelopen eeuw toegenomen, omdat mensen
fossiele brandstoffen gingen verbranden. Maar de menselijke CO2
emissies zijn twee maal zo hoog als de toename in atmosferische CO2
concentraties. Het levert een totale bijdrage van 4% aan de atmosferische
concentraties; met andere woorden de productie is zo'n 25 keer hoger. De auteurs
concluderen daarom dat het allemaal nog veel erger had gekund. Ze voegen nog toe
dat de data betreffende natuurlijke productie ook nog onzekerheden vertonen,
daardoor zou het verschil nog weleens veel groter kunnen zijn.
Bron: Labohm, H., Rozendaal,
S. and Thoenes, D, Man-made Global Warming: Unraveling a Dogma.
Multi-Science Publishing 2004, Essex, United Kingdom
3. The Hockey Stick theorie van Michael Mann
 |
Stephen McIntyre en Ross McKritick
gaven kritiek op de zogeheten 'hockey stick theorie' van Michael
Mann. Volgens deze theorie is de huidige temperatuurstijging uniek en
heeft de grafiek voor temperaturen van het afgelopen decennium de vorm
van een hockey stick (zie figuur).
Deze grafiek is samengesteld met behulp van gegevens van jaarringen van
bomen en ijskernen, en historische data. Deze gegevens werden gebruikt
om de temperaturen van de afgelopen 6 eeuwen te bepalen. De grafiek werd
toegevoegd aan het IPCC rapport van 2001. |
De twee Mc's
gebruikten dezelfde database als Michael Mann en anderen eerder hadden gebruikt,
en dezelfde berekeningen. De uitkomsten waren echter totaal anders, en daardoor
kreeg men het idee dat Mann en anderen data hadden gemanipuleerd. Volgens hun
berekeningen was de 15e eeuw warmer dan de 20e eeuw. Ze
stelden dan ook dan de berekeningen van Mann 'errors en verouderde data bevatten,
onrechtvaardigbare extrapolatie van data hadden ondergaan, voor de verkeerde
geografische locaties waren gedaan, op verkeerde principes waren gebaseerd en
subject waren aan nog andere kwaliteitsdefecten'.
Michael Mann en zijn collega's beweren dat de Mc's een onjuiste audit van hun
gegevens hebben gedaan. Volgens Mann hebben zij niet dezelfde data gebruikt, en
werden niet dezelfde berekeningen uitgevoerd. Hij had om te beginnen niet de
kans gekregen om te reageren op de kritieken van de Mc's. De discussie is daarom
nog lang niet voorbij. De Mc's hebben al aangekondigd binnenkort een nieuw
kritiek te publiceren.
Ook Bjorn
Lomborg had commentaar op de theorie van Mann (zee eerder). Labohm, Rozendaal and
Thoenes gebruiken dezelfde argumenten om de theorie te verwerpen. Von Storch
heeft getracht het huidige klimaat te reconstrueren dooor Mann's jaarringen in
te voeren in een klimaat reconstructie model. De reconstructie bleek verre van
accuraat. Bradley en anderen stelden in Science magazine dat MANN te
weinig gecalibreerde data voor de tropen op het Zuidelijk halfrond had. Dit
maakt de extrapolatie van de resultaten naar mondiale schaal ongeloofwaardig.
De kritieken
op de gegevens van Mann betekenen niet perse dat de theorie van het anthropogene
broeikaseffect verworpen kan worden. Het bewijs is nog te gering om de algemene
mening daarover te veranderen. Andere wetenschappers hebben op andere manieren
aangetoond dat de huidige opwarming van de aarde uniek is en de theorieën zijn
tot nu toe niet door skeptici verworpen.
Bronnen:
- Labohm, H., Rozendaal,
S. and Thoenes, D, Man-made Global Warming: Unraveling a Dogma.
Multi-
Science Publishing 2004, Essex, United Kingdom
- NRC
Handelsblad, 6 februari 2005: 'Herrie om een Hockeystick'
4. Mark Maslin over wat de skeptici zeggen
 |
Mark Maslin heeft het boek
'Global Warming, a very short
introduction' geschreven, met het doel mensen te informeren over
klimaatverandering en het broeikaseffect. In zijn boek bekijkt en
bespreekt hij de meningen van skeptici over het onderwerp. |
4.1 CO2;
oorzaak of gevolg?
Sommige skeptici
beweren dat gegevens van ijskernen erop wijzen dat de CO2
concentratie reageert op de gemiddelde temperatuur op aarde. Ze concluderen dat
CO2 concentraties niet een oorzaak zijn voor temperatuur verandering,
maar een gevolg ervan. Maslin betoogt dat uit onderzoek aan CO2 in
ijskernen uitwijst dat de toename van atmosferische concentraties tegelijk
voorkwam met de geleidelijke opwarming van Antarctica. Stapsgewijze opwarming
van het Noordelijk Halfrond begon later. Tijdserie analyse door een professor
van de Cambridge universiteit wees uit dat CO2 concentraties in de
ijskernen al aanzienlijk waren, meer dan 5000 jaar voordat mondiale variatie in
ijskappen intstond. Al deze bevindingen brengen Maslin tot de conclusie dat
mondiale CO2 concentraties al stegen voordat de mondiale temperatuur
begon toe te nemen en voordat de ijskappen gingen smelten.
4.2 Data
manipulatie
Een bekende,
voor herhaalde kritiek van skeptici op de theorie van klimaatverandering is dat
gegevens worden gemanipuleerd om een gewenst reusltaat te genereren. Daardoor
ontstaan discussies over het bestaan van klimaatverandering. Lahbohm et al.
hebben dit argument meermalen gebruikt (zie boven). Maslin geeft aan dat het een
logisch misverstand is dat is ontstaan, doordat klimaatgegevens vaak een bepaald
niveau van manipulatie behoeven bij modellering. Niet alle kennis en data sets
die we nu hebben waren zomaar beschikbaar. Het aanpassen van data sets is een
onderdeel van het wetenschappelijk proces van onderzoek en ontdekking. Het
constant kritisch bekijken en aanpassen van data geeft klimatologen meer
vertrouwen in hun beweringen. Het IPCC probeert zoveel mogelijk resultaten te
bekrachtigen door ze te controleren op vershcillende manieren, met behulp van
verschillende studies en bronnen.
4.3 Zonne-activiteit
Een aantal
skeptici waaronder Bjorn Lomborg, stellen dat temperatuurveranderingen worden
veroorzaakt door zonee-activiteit, in plaats van door atmosfersich CO2.
Skeptici en klimatologen zijn het erover eens dat de zonne-activiteit wel wat
invloed heeft op de temperatuur. Wetenschappers geven aan dat niet alleen
zonne-activiteit, maar ook vulcanische activiteit in het verleden de temperatuur
beïnvloed heeft. Maslin geeft echter wel aan dat de skeptici teveel belang
hechten aan de zonne-hypothese. Er zijn nog grote onzekerheden over
klimaatverandering, maar wel is duidelijk dat een combinatie van
zonne-activiteit en broeikasgassen verantwoordelijk is geweest voor de
temperatuurcurve van de afgelopen 130 jaar. Daarnaast is aangetoond dat
zonne-activiteit een vulcanische uitbarstingen in het afgelopen milennium niet
veel zijn verandert. Daardoor concluderen klimatologen dat het broeikaseffect
niet alleen een natuurlijke oorzaak heeft. Anthropogene activiteit levert zeker
een bijdrage.
4.4
Satelliet data
Gegevens van
satellietopnamen suggereren dat in de afgelopen twee decennia sprake van
afkoeling is geweest. Maar toen de gegevens opnieuw werden bekeken bleek dat
satelliet gegevens vrij inconsitent zijn. Hoogte correcties, wrijving met de
atmosfeer en inter-intrumentale vergelijkingen resulteerden in twijfel over de
consistentie van de gegevens. Bovendien is een periode van twee decennia te kort
om een aantoonbare trend in temperaturen te vinden, temperatuur cycli duren
namelijk veel langer dan 20 jaar. Welke cyclus plaatsvindt tijdens satelliet
opnamen valt nog te bezien.
4.5 Het effect van wolken
Wolken kunnen
zowel een positieve als negatieve invloed hebben op de opwarming van de aarde.
Skeptici beweren dat wolken de effecten van klimaatverandering teniet kunnen
doen. Het IPCC geeft aan dat nog grote onzekerheden bestaan over de rol van
wolken in het klimaat systeem. Wolken kunnen straling zowel absorberen als
doorlaten, waardoor de aarde zowel op kan warmen als af kan koelen. Het
uiteindelijke effect hangt af van de locatie en eigenschappen van de wolken. Dat
wordt bepaald door de atmosferische verdeling van wolkvormende deeltjes. Wolken
zijn toegevoegd aan klimaatmodellen, maar de onzekerheden zijn groot.
Klimaatmodellen hebben tot nu toe aangetoond dat het afkoelingseffect van wolken
niet groot genoeg is om de huidige opwarming van de aarde tegen te gaan.
4.6
Betrouwbaarheid van klimaatmodellen
Een vraag die
vaak door skeptici wordt gesteld is of de huidige klimaatmodellen wel
betrouwbaar genoeg zijn. Klimaatmodellen geven vaak erg verschillende resultaten.
Extreme weersomstandigheden worden niet aangegeven, en natuurlijke variaties
ontbreken. De diepe golfstroom en klimaat trends zijn in de praktijk vaak
uitgebreider dan in de model uitkomsten.
Maslin stelt dat de wetenschap niet het precieze verloop van de toekomst
voorspeld, hoewel het er soms wel op lijkt dat mensen dit verwachten. Opvallend
genoeg verwachten we dit niet van andere disciplines. Geen enkel klimaatmodel
heeft het precies bij het rechte eind, maar ze geven wel onze best mogelijke
schattingen van wat de toekomst zal brengen. Veel verschillende klimaatmodellen
hebben al ongeveer hetzelfde temperatuurverloop voorspeld. Hierdoor zou ons
vertrouwen in de modellen moeten toenemen, vooral omdat deze modellen zijn
gemaakt door veel verschillende wetenschappers van over de hele wereld. Maslin
benadrukt dat niemand het zou geloven als de modellen een precieze voorspelling
van de toekomst zouden doen. Nog steeds zou de discussie voortduren.
Skeptici denken dat abrupte veranderingen in het weer het klimaat beïnvloeden.
Klimaatmodellen nemen de abrupte weersveranderingen niet mee, vanwege de grove
ruimtelijke resolutie. Nu blijkt echter dat abrupte weersomstandigheden alleen
een directe invloed hebben op weersvoorspellingen. Lange-termijnveranderingen in
regionaal en mondiaal klimaat worden niet veroorzaakt door korte-termijn
veranderingen in het weer. Toch is het inderdaad waar dat de abrupte
weersomstandigheden nog niet in modellen zijn opgenomen.
De effectiviteit van de reconstructie van natuurlijke variaties in klimaat is
toegenomen. Doordat deze variaties een grote invloed hebben op regionaal klimaat
zijn ze in klimaatmodellen opgenomen. Het niveau van betrouwbaarheid van
simulatie van natuurlijke variatie laat nog te wensen over. Constante
aanpassingen en verbeteringen dragen bij aan de toename van de algehele
betrouwbaarheid van voorspellingen en projecties.
Diepe golfstromen zijn vanaf het begin in klimaatmodellen opgenomen, en kunnen
daarom met een vrij grote betrouwbaarheid worden voorspeld. Maar diepe
golfstromen zijn erg complex en daarom komen nog wel onzekerheden voor in
voorspellingen. In de toekomst zal de verdere ontwikkelingen van modellen de
onzekerheden verminderen.
Gegevens betreffende klimaatverandering uit modellen zijn beperkter dan gegevens
uit proxy data. Uit vergelijkingen is gebleken dat modeluitkomsten ongeveer 75%
betrouwbaar zijn. Modellen geven dus een systematische ondershcatting van
klimaatverandering. Maslin concludeert dat klimaatverandering zich weleens zou
kunnen volgens de meest extreme projecties van het IPCC.
Bron:
Maslin, M., Global Warming, a very short introduction. Oxford University
Press, Oxford 2004, page 60-65, 78-82
5. De tegenstelling tussen NOAA en IPCC over methaan
Het IPCC gebruikt klimaatmodellen voor voorspellingen en projecties van
de toekomst. Het panel verwacht dat methaanemissies in de komende eeuw
zullen toenemen. Toenames zijn het hoogst in het regionale
SRES scenario, met de focus op
menselijk inkomen. Emissies zullen volgens dat scenario stijgen tot 549
tot zelfs 1069 Mt CH4 in 2100, vergeleken bij 310 Mt CH4
in 1990. In de mondiale scenario's stijgen de methaanemissies minder
hard, en nemen ze later in de 21ste eeuw zelfs af.
De NOAA (Nationale Oceaan en Atmosfeer Administratie) stelt op basis van
satelliet foto's dat de atmosferische toename van methaan behoorlijk aan
het afremmen is (figuur 1). De organisatie stelt dat emissies onder de
huidige trends uiteindelijk helemaal 0 zouden worden (Dlugokencky et
al., 1998). De bevinding wordt echter om de een of andere reden niet
genoemd op nieuwsuitzendingen of websites. Het gevolg is dat het IPCC de
klimaatverandering weleens met 5% zou kunnen overschatten. Bjorn Lomborg
noemt deze tegenstelling ook in zijn boek (zie eerder).

Figuur 1: contrast tussen bevindingen van het IPCC en de NOAA
Zelfs in de mondiale IPCC scenario's wordt geen afname van
methaanemissies voorspeld zoals die wordt verwacht door de NOAA. De
auteur van het IPCC hoofdstuk over toekomstige methaanemissies geeft toe
dat de aannames betreffende methaan zijn gebaseerd op gegevens over
methaan toenames, die 15 jaar oud zijn. Dit zou het verschil in
waarnemingen tussen de twee organisaties kunnen verklaren.
Bron: National Oceanic and Atmospheric Climate Administration (NOAA)
6.
Discussie over specifieke gegevens
Alle gegevens over klimaatverandering worden utigebreid
besproken, omdat over het onderwerp nog steeds grote onzekerheden bestaan.
Sommige van de onderwerpen van discussie worden hier besproken.
6.1 Documentatie van temperatuurmetingen
Kritici beweren dat de gemiddelde temperaturen op aarde niet
goed worden weergegeven, omdat lokale variaties een verschil tot wel 100 graden
op kunnen leveren tussen verschillende locaties. Dit zou betekenen dat de
gemiddelde mondiale temperatuur alleen kan worden weergegeven als een afwijking,
bijvoorbeeld het verschil tussen de gemiddelde mondiale temperatuur nu en in een
referentieperiode. Een voorbeeld is de temperatuur in de afgelopen 25 jaar. Maar
zelfs de vergelijkingen zijn niet geheel nauwkeurig.
Om de gemiddelde mondiale temperaturen in 2000 te bepalen worden rechthoekige
gebieden van 5 graden lengtegraad en 5 graden breedtegraad gebruikt. Maar niet
in alle gebieden staan meetstations en daarom zijn veel temperaturen
extrapolaties vanuit nabijgelegen gebieden. Tot nu toe is geen nauwkeurigere
methode ontwikkeld. Om de invloed van lokale variaties aan de mondiale
gemiddelde temperatuur toe te voegen zou minstens een station per 10x10 km nodig
zijn. Dat resulteert in een totaal van meer dan 5 miljoen meetstations die
gelijk worden verdeeld over land en oceanen, terwijl er in werkelijkheid slechts
zo'n 5000 meetstations zijn.
Temperatuurmetingen van de afgelopen eeuw zijn erg onnauwkeurig. Kritici stellen
dat niet alle thermometers bruikbaar waren en dat alleen metingen op land zijn
gedaan, terwijl de aarde voor 70% uit water bestaat. Metingen zijn vooral
uitgevoerd in stedelijke gebieden, waar huizen hun directe omgeving opwarmen (een
toename van 1-2oC).
 |
Sommige kritici stellen dat satelliet metingen van aardse
temperaturen nauwkeuriger zijn, omdat aan het gehele aardoppervlak wordt gemeten.
De relatieve nauwkeurigheid van satellieten is echter niet bijzonder groot. Het
IPCC is het niet eens met het gebruik van satelliet data, vooral vanwege de
onnauwkeuringheden (zie Schneider). |
Bronnen:
- Labohm, H., Rozendaal, S. and Thoenes, D, Man-made Global Warming: Unraveling a Dogma.
Multi-Science Publishing 2004, Essex, United Kingdom
- Verschillende internet bronnen
6.2 CO2 emissies en temperatuurverandering
Astrofysica Sallie Baliunas stelt dat tenminste 80% van de
anthrpogene broeikasgassen zijn uitgestoten na 1945. Dat zou betekenen dat de
mondiale opwarming voor 1945 (0,45 graden Celcius tussen 1910 en 1945) niet
perse is veroorzaakt door toenemende CO2 concentraties in de
atmosfeer. Na 1945 nam de CO2 concentratie behoorlijk toe, maar de
temperatuur begon af te nemen. Hierdoor wordt de extrapolatie van de invloed van
CO2 op de temperatuur bemoeilijkt. Door deze stelling beweren sommige
kritici dat het effect andersom is dan wordt beweerd en de stijging van de
temperatuur een toename van CO2 concentraties tot gevolg heeft.
Andere kritici geven aan dat de bijdrage van mensen aan CO2
concentraties in de atmosfeer heel klein is vergeleken bij de bijdrage van
natuurlijke bronnen, zoals vulkaanuitbarstingen. Mensen veroorzaken een
jaarlijkse CO2 emissie van 8 miljard ton, terwijl natuurlijke
emissies meer dan 200 miljard ton bedragen.
Labohm et al. zeggen dat CO2 maar in een klein deel
van het spectrum infrarood straling absorbeert. Ze betwijfelen of een toename
van de atmosferische CO2 concentratie wel zo'n groot effect op de
opwarming van de aarde zal hebben. Ze beweren dat de vergelijking van de aarde
met een broeikas onjuist is, omdat het aardse systeem veel complexer is dan een
simpele inkomende en uitgaande stralingsbron. Straling wordt door vele factoren
beïnvloed en het kan vanuit verschillende hoeken komen. Een bepaalde hoeveelheid
straling in een gebied zou dus niet automatisch een temperatuurtoename tot
gevolg hebben. In de IPCC rapporten staat dit mechanisme bekend als 'radiative
forcing', en wordt het als een waarheid aangenomen. Volgens de auteurs is dit
concept helemaal verkeerd. Ze stellen ook dat in de afgelopen 70 jaar geen
significante temperatuurstijging is opgetreden, terwijl de CO2
concentratie wel is blijven toenemen. Ze zeggen niet dat klimaatverandering
absoluut niet bestaat, maar betwijfelen of het zich altijd perse zal uiten in
een temperatuurvernadering.
Gerelateerde pagina's
Beschrijving van het
broeikaseffect
Fossiele brandstoffen: eigenschappen en
ontstaan Broeikasgassen: emissies en infrarood absorptie
Geschiedenis van het broeikaseffect
Perspectieven betreffende het broeikaseffect
Uitleg van de IPCC-SRES scenario's
De IPCC-SRES scenario's: oorzaken van klimaatverandering
De IPCC-SRES scenario's: gevolgen van klimaatverandering
Overzicht van
emissiereducties per land onder Kyoto
Mogelijke beleidsmaatregelen om Kyoto doelen te halen
Emissierechtenhandel voor behalen van Kyoto doelen
Nieuws en onderzoek betreffende
het broeikaseffect |