|
In Nederland wordt op dit moment veel aandacht besteed aan het mestbeleid.
Doordat bemesting effecten heeft op het milieu, is het belangrijk dat
hierover beleid wordt geformuleerd. Maar ook op de gezondheid kan het
effecten hebben, omdat we producten eten of drinken waarin schadelijke
stoffen terecht kunnen zijn gekomen als gevolg van bemesting. In dit
artikel wordt gekeken naar meststoffen en mestsoorten, het Nederlandse
en Europese mestbeleid en meilieu-en gezondheidseffecten van
(over)bemesting.
Meststoffen en mestsoorten
Om de groei van planten te bevorderen zijn verschillende voedingsstoffen
nodig. De meest belangrijke hiervan zijn nitraten en fosfaten. Van deze
twee voedingsstoffen zijn fosfaten meestal de limiterende factor voor
plantengroei. De oorzaak hiervoor is de verminderde mobiliteit van
fosfaten in de bodem, doordat fosfaten binden aan bodemdeeltjes.
Om te zorgen dat planten voldoende nitraten en fosfaten binnen krijgen
worden landbouwgronden bemest. Voor deze bemesting werd vroeger vooral
dierlijke mest gebruikt, maar tegenwoordig voegt men ook kunstmest toe.
Kunstmest is een kunstmatig aangemaakt mengsel van meststoffen, in
hoofdzaak nitraten en fosfaten. De uitvinding van de kunstmest heeft
voor grote veranderingen gezorgd in de landbouw. De kunstmestfabriek
maakt korrels waarin voedingsstoffen voor planten zitten. Deze korrels
zijn heel makkelijk in gebruik en leveren bovendien hogere opbrengsten
op (Biologica, 2002).
Behalve dierlijke mest en kunstmest gebruikt de landbouw ook andere
organische mestsoorten. De meest belangrijke hiervan zijn zuiveringsslib,
compost en zwarte grond.
Als gevolg van de uitvinding van kunstmest, hebben de akkerbouwers
dierlijke mest veel minder nodig. Bovendien vinden veel akkerbouwers het
gebruik van kunstmest voordeliger, doordat het een vaste en bekende
samenstelling heeft. Hierdoor weet men zeker dat planten alle benodigde
voedingsstoffen in de juiste concentraties toegediend krijgen.
Als gevolg hiervan is een overschot aan dierlijke mest ontstaan en die
mest moet men nog steeds kwijt. Op veel akkers in Nederland wordt daarom
te veel mest uitgereden en dat zorgt voor een overschot aan meststoffen
in de bodem. Zo is er in de afgelopen decennia een verstoring in het
evenwicht van meststoffen en plantengroei ontstaan. Er wordt teveel
dierlijke mest geproduceerd; meer dan nodig is om landbouwgronden in
Nederland vruchtbaar te houden. Dit verschijnsel staat bekend als het
mestoverschot. In reactie op de stijgende concentraties meststoffen in
het milieu als gevolg van overbemesting, is door de Nederlandse overheid
het mestbeleid geformuleerd (LNV-4, 2003).
Het mestbeleid
Met het mestbeleid wil de overheid een aantal doelen bereiken. Het meest
belangrijke doel is beperking van de uitstoot van mineralen (nitraat
en fosfaat) naar het milieu. Een tweede
doel is het in evenwicht brengen van de productie van mest met het
gebruik ervan in Nederland. Daarnaast draagt het mestbeleid bij aan het
voorkomen van schadelijke effecten van meststoffen op voeding (LNV-2,
2003).
Het mestbeleid is gevormd en wordt gecontroleerd door het ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Hierbij geeft het RIVM
advies en houdt het RIVM de voortgang van het beleid bij, door middel
van monitoring in het Landelijk Meetnet Mestbeleid (LMM) (RIVM, 2002).
Het ministerie van LNV controleert naast het mestbeleid ook de
voedselkwaliteit. Het ministerie is een van de instanties, die beleid
vormt op het gebied van voedselkwaliteit. Dit doet zij veelal in
samenwerking met het ministerie van Verkeer en Waterstaat (VWS). Het
ministerie organiseert debatten onder consumenten over voedselkwaliteit,
maar ook over de toekomst van de intensieve veehouderij. Debatten over
de toekomst van de intensieve veehouderij zijn ontstaan na de vorming
van het mestbeleid. Als gevolg van het mestbeleid moeten namelijk veel
veehouderijen sluiten, omdat zij financieel de maatregelen die vanuit
het mestbeleid genomen moeten worden niet aankunnen (LNV-5, 2003).
Het ministerie van LNV is begonnen met de inkrimping van de Nederlandse
veestapel, om te voorkomen dat de productie van dierlijke mest nog
groter wordt. Het ministerie heeft er tevens voor gezorgd, dat de
verdeling van dierlijke mest in Nederland werd verbeterd, door de
ontwikkeling van mestafzet contracten. In deze contracten wordt
aangegeven, dat veehouderijen hun mest leveren aan akkerbouwers, zodat
deze geen kunstmest meer in hoeven te kopen.
Vervolgens is in het jaar 2001 een mineralen aangiftesysteem (Minas)
ingevoerd. Landbouwbedrijven moeten al geruime tijd de mestproductie in
kaart brengen in een mineralenboekhouding. Door het aangiftesysteem van
LNV moeten de bedrijven nu ook de uitstoot van nitraat en fosfaat naar
de bodem beperken. De aanvoer en afvoer van mineralen (nitraat en
fosfaat) wordt bijgehouden. Het verschil tussen aanvoer en afvoer wordt
dan vervolgens bepaald, dit is het mineralenverlies. Voor dit verlies
zijn verliesnormen opgesteld, waaraan de landbouw zich moet houden.
De landbouw wordt door deze normen verplicht maatregelen te nemen om het
verlies van fosfaat en nitraat naar het milieu te beperken. Wanneer
namelijk bij een landbouwbedrijf de verliesnormen worden overschreden,
wordt door het ministerie van LNV een boete opgelegd. De hoogte van deze
boete wordt bepaald door de mate van overschrijding van de verliesnormen.
De verliesnorm voor nitraten in 2005 is zo gekozen dat in een groot deel
van het land kan worden voldaan aan de kwaliteitseis voor nitraat in
grondwater. In 2005 wordt de fosfaatverliesnorm bepaald op 25 kg/ha/jaar
en de nitraatverliesnorm op 200 kg/ha/jaar. Gemiddeld zijn de verliezen
in de veehouderij nu 65 kg fosfaat/ha en 370 kg nitraat/ha.
Landbouwbedrijven moeten dus nog een behoorlijke inspanning gaan leveren
om aan de normen van het mestbeleid te voldoen (LNV-1, 2001).
Wanneer landbouwbedrijven bemesten met compost of zuiveringsslib, worden
de concentraties zware metalen in de bodem verhoogd. Zware metalen
kunnen op die manier ook in voeding terechtkomen en dit heeft een
schadelijk effect op de menselijke gezondheid. Zware metalen zijn
namelijk gevaarlijke stoffen, die maar langzaam door het menselijk
lichaam worden afgebroken. Daarom zijn deze stoffen vanuit de Wet
Bodembescherming (Wbb) aan maximale waarden verbonden. De controle van
mineralenverliezen van bedrijven is de belangrijkste taak van het
ministerie van LNV. Maar daarnaast voert het ministerie van LNV ook
controles uit op de aanvoer van zware metalen naar de bodem (LNV-1,
2001).
In samenwerking met het RIVM wordt door het ministerie van LNV gewerkt
aan monitoring van de bodem en het grondwater onder landbouwgronden. Het
RIVM is hierbij verantwoordelijk voor monstername en bepalingen van
fosfaat en nitraat concentraties. De monitoring wordt uitgevoerd ter
controle van de mineralenboekhouding van bedrijven. Daarnaast kan
inzicht worden verkregen in hoeverre Nederlandse bedrijven voldoen aan
de Europese richtlijnen (LNV-1, 2001).
Europees beleid
In de afgelopen weken is een aantal malen in het nieuws geweest, dat het
Nederlandse mestbeleid volgens het Europese Hof van Justitie nog niet
voldoet aan de Europese regelgeving. Sinds de toetreding van Nederland
tot de Europese Unie moet het Nederlandse beleid op veel fronten worden
aangepast aan het Europese beleid, zodat aan de Europese normen wordt
voldaan.
De meest belangrijke richtlijn van de Europese Unie waaraan Nederland
het mestbeleid moet aanpassen, is de Europese Nitraatrichtlijn. De
Nitraatrichtlijn is bedoeld om ervoor te zorgen dat grondwater en
oppervlaktewater worden beschermd tegen vervuiling met nitraat, door
bemesting van landbouwgronden.
Door het Hof is onder andere bepaald, dat het Nederlandse mineralen
aangiftesysteem (Minas), niet streng genoeg is om aan de eisen van de
Europese Nitraatrichtlijn te voldoen.
De aanpassing van de Nederlandse wet- en regelgeving op het gebied van
bemesting aan de Europese nitraatrichtlijn gaat twee tot drie jaar in
beslag nemen. De aanpassing moet in het jaar 2006 voltooid zijn.
In december 2003 moet Nederland een nieuw actieprogramma voor de periode
2004-2007 in het kader van de Nitraatrichtlijn aan de Europese Commissie
voorleggen. Dit actieprogramma moet in overeenstemming zijn met de
uitspraak van het Hof.
In het Nederlandse Actieprogramma is bepaald, dat voor uitspoeling
gevoelige gronden aanvullend mestbeleid nodig is om de
milieudoelstellingen te halen. Dit aanvullend beleid bestaat onder
andere uit de invoering van scherpere verliesnormen voor uitspoeling
gevoelige gronden. Verder moeten gebruiksnormen voor de hoeveelheid mest
per hectare worden ingevoerd voor alle landbouwgronden, zodat
nitraatgehalten in de bodem verder beperkt worden. De meest belangrijke
reden dat het mestbeleid moet worden aangepast, is dat nitraten en
fosfaten milieuproblemen kunnen veroorzaken (LNV-3, 2003).
Milieuproblemen
Doordat teveel mest aan landbouwgronden wordt toegediend, kan dit
doorsijpelen naar grondwater en oppervlaktewater. Dit is met name het
geval in uitspoeling gevoelige gronden, zoals zandgronden.
Uit grondwater en oppervlaktewater wordt drinkwater geproduceerd. Op
waterzuiveringen moeten daarom kostbare maatregelen worden genomen om
meststoffen uit het water te verwijderen ten behoeve van
drinkwaterbereiding. Met name fosfaten worden vaak niet in voldoende
mate uit drinkwater verwijderd. Zo krijgen mensen fosfaten en nitraten
binnen.
Het nitraatgehalte in drinkwater uit winningen die gebruik maken van
dieper grondwater is in de afgelopen jaren sterk toegenomen. Er wordt
verwacht, dat hoge nitraatgehalten de komende eeuw een structureel
probleem gaan opleveren bij diepe grondwaterwinningen. In de komende
tijd zal de nitraatnorm in veel water winningputten in Nederland worden
overschreden, wanneer geen maatregelen worden genomen.
De problemen met nitraat in grondwater als gevolg van bemesting zijn
beduidend groter dan de problemen met fosfaat. De oorzaak hiervan is het
verschil in mobiliteit tussen de verschillende stoffen. Fosfaat is
minder mobiel in de bodem, doordat het vaak aan bodemdeeltjes bindt.
Hierdoor spoelt het veel minder snel uit naar grondwater dan nitraat.
Maar ook fosfaten kunnen in drinkwater terechtkomen, doordat de bodem
verzadigd raakt met fosfaten. Wanneer meer fosfaat in de bodem aanwezig
is, dan aan bodemdeeltjes gebonden kan worden, spoelt fosfaat alsnog uit
naar het grondwater. Dit is op veel landbouwgronden in Nederland het
geval, als gevolg van overbemesting (Peereboom, 1994).
Het terechtkomen van fosfaten en nitraten in drinkwater is niet het
enige probleem dat veroorzaakt wordt, wanneer meststoffen in grondwater
en oppervlaktewater terechtkomen. Fosfaten en nitraten kunnen in
oppervlaktewater namelijk over grote afstanden verspreidt worden.
Het grootste risico zit echter in de aanwezigheid van grote hoeveelheden
van deze stoffen op dezelfde locatie. Door de constante toevoeging van
meststoffen aan het oppervlaktewater door bemesting en lozingen door
waterzuiveringen, zijn de natuurlijke concentraties fosfaten en nitraten
in veel Nederlandse wateren al overschreden (LNV-4, 2003).
Een toename van fosfaten en nitraten in oppervlaktewater stimuleert de
groei van fosfaat- en nitraatafhankelijke waterorganismen, zoals algen.
Door de snelle groei van onder andere algen heeft zonlicht geen kans
meer om in het water door te dringen. Dit belemmert de zuurstofaanmaak
door andere waterplanten, waardoor het water zuurstofarmer wordt.
Daarnaast wordt door de algen ook nog veel van de al aanwezige zuurstof
opgebruikt. Dit verschijnsel staat bekend als eutrofiëring.
In wateren waar eutrofiëring plaatsvindt, hebben organismen die zuurstof
nodig hebben voor de groei geen kans van overleven meer. De gevolgen
zijn vissterfte en een sterke achteruitgang van de zwemkwaliteit van
water (Walker, 2001).
Door het gebruik van mestsoorten als compost en zuiveringsslib kunnen
ook milieuproblemen veroorzaakt worden. Deze mestsoorten bevatten
namelijk verontreinigende stoffen, zoals zware metalen.
Tijdens de toepassing van deze mestsoorten zijn verontreinigingen in
bodem en grondwater terechtgekomen. Deze stoffen komen dan, net als
nitraten en fosfaten, terecht in voor de drinkwaterproductie bestemd
grondwater en oppervlaktewater. Echter, in tegenstelling tot de
meststoffen nitraat en fosfaat worden zware metalen tijdens de
drinkwaterproductie wel goed uit water verwijderd. Dit doet men door
middel van membranen (LNV-1, 2001).
Meststoffen worden door planten opgenomen, zodat ze in ons voedsel
terechtkomen. Dit kan gezondheidsproblemen veroorzaken. Op de
gezondheidsproblemen die veroorzaakt worden door nitraten en fosfaten,
wordt nu dieper ingegaan.
Meststoffen en de menselijke gezondheid
Nitraten en fosfaten komen voor in voedsel, doordat ze door planten uit
de bodem worden opgenomen na bemesting van het land. Dit is goed voor de
menselijke gezondheid, omdat wij deze stoffen nodig hebben. Fosfaten
spelen een rol in onze stofwisseling en in de energievoorziening van ons
lichaam. Nitraten zijn een onderdeel van proteďnen in ons lichaam en
spelen tevens een rol in de energievoorziening (Miller, 1999).
Nitraten en fosfaten zijn dus nodig om gezonde voeding te garanderen.
Maar door de overbemesting zijn de concentraties van met name nitraat en
fosfaat in voedsel en drinkwater sterk gestegen. Hierdoor kunnen
gezondheidsproblemen worden veroorzaakt.
Mensen eten veel verschillende groenten, waarin zich nitraten en
fosfaten bevinden. Hierdoor worden de maximale concentraties die ons
lichaam aankan vaak overschreden.
De gemiddelde dagelijkse inname van nitraat is voor een Nederlander op
dit moment rond de 1800 milligram. Dat is al ruim boven de aanvaardbaar
geachte dagelijkse inname. Volgens berekeningen van het RIVM bedraagt
deze 82 milligram nitraat voor een persoon met 60 kilo lichaamsgewicht.
Deze concentratie ligt nog wel beneden de door de Wereld
Gezondheidsorganisatie gesuggereerde maximaal aanvaardbare dagelijkse
opname van 4000 milligram. Maar door het eetpatroon van Nederlanders
zijn er veel verschillen in nitraatopname per individu. Mensen die veel
dierlijke producten gebruiken, zoals vlees en melk, kunnen al gauw boven
een dagelijkse inname van 1800 milligram nitraat uitkomen. Bovendien
wordt bij de bepaling van maximaal aanvaardbare waarden geen rekening
gehouden met extra gevoelige mensen. Dit zijn bijvoorbeeld ouderen,
kleine kinderen en mensen met een verzwakt immuunsysteem (Westgeest,
1999).
Een te grote inname van nitraten vormt een probleem, vanwege de
schadelijkheid van hoge concentraties nitraat. De schadelijkheid van
nitraat wordt vooral bepaald door omzetting in het lichaam tot nitriet
en (zeer gevaarlijke) nitrosaminen (Peereboom, 1994).
Nitrieten binden zich aan rode bloedkleurstof en bemoeilijken zo het
transport van zuurstof in het bloed. Voor jonge kinderen kan dit
gezondheidseffecten veroorzaken. Met name bij baby’s en peuters kan het
voorkomen dat deze te kampen krijgen met een ernstig zuurstoftekort als
gevolg van het drinken van water dat veel nitraten bevat. Omdat de
kinderen blauw kleuren als gevolg van nitrietopname in het bloed, staat
deze kwaal bekend als de ‘Blauwe Babyziekte’ (Walker, 2001).
De Blauwe Babyziekte wordt veroorzaakt, wanneer nitraatconcentraties in
drinkwater hoger zijn dan 44 milligram nitraat per liter. In veel
waterputten, met name in de putten op zandgronden, worden waarden van
nitraat van boven de 44 milligram per liter gevonden.
Nitrosaminen kunnen worden gevormd uit nitraat in voedingsmiddelen
tijdens de productie, of na opname in het menselijk lichaam.
Nitrosaminen zijn kankerverwekkende stoffen, die al risico’s opleveren
wanneer ze in zeer lage concentraties in het lichaam aanwezig zijn. De
kans op vorming van nitrosaminen wordt groter, wanneer meerdere
nitraatrijke voedingsproducten met elkaar worden gecombineerd. Een
voorbeeld hiervan is het eten van vis in combinatie met spinazie.
De maximale dagelijkse inname van fosfaat wordt veel minder vaak
overschreden dan die van nitraat, doordat fosfaten minder snel in
drinkwater terechtkomen. Toch zijn er drinkwaterputten, die een hoge
concentratie fosfaat bevatten. Doordat fosfaat tijdens de
drinkwaterbereiding vaak niet voldoende verwijderd wordt, kan de
fosfaatconcentratie in het lichaam van mensen in veel gevallen toch de
aanvaardbare dagelijkse concentratie overschrijden. Hoge inname van
fosfaten kan met name op latere leeftijd bij mensen botontkalking (osteoporose)
veroorzaken (Peereboom, 1994).
Wanneer stoffen in voedsel gezondheidsproblemen veroorzaken, moet men de
uitstoot hiervan beperken om de voedselveiligheid te verhogen.
Literatuur
Biologica, 2002. Landbouw volgens de natuurlijke kringloop.
Eindredactie: Platform Biologica, Utrecht. Te vinden op
http://www.platformbiologica.nl
LNV-1, 2001. Brochure: Mest en een Schoon Milieu – De Nederlandse
Aanpak van het Mineralenoverschot en Ammoniakvervluchtiging. Tweede druk,
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
LNV-2, 2003. Brochure: Minder Mest, Schonere Mest. Eerste druk,
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
LNV-3, 2003. Nederland moet mestbeleid aanpassen. Eindredactie:
ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Te vinden op:
http://www.minlnv.nl
LNV-4, 2003. Integrale notitie mest en ammoniakbeleid. Eindredactie:
ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Te vinden op:
http://www.minlnv.nl
LNV-5, 2003. Evaluatie Meststoffenwet 2002. Eindredactie: ministerie
van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Te vinden op:
http://www.minlnv.nl
Miller, G Tyler, 1999. Living in the Environment: Principles,
connections and solutions. 4e druk, Brooks/ Cole Publishing Company,
Pacific Grove, USA
Peereboom, J.W. Copius, 1994. Basisboek milieu en gezondheid. Boom
Meppel, Amsterdam
RIVM, 2002. Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid. Eindredactie:
Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu. Te vinden op:
http://www.rivm.nl/milieu/bwlg/meetnetten/lmm/index.jsp?ComponentID=2156&SourcePageID=113
Walker, C.H. e.a., 2001. Principles of Ecotoxicology. Tweede druk,
Taylor & Francis, London
Westgeest, 1999. Scenario-onderzoek Nitraatbelasting in Nederland in
Relatie tot de Gezondheid. Eindredactie: Medische Faculteit KU, Nijmegen |